Werkgever moet loon doorbetalen tot het moment dat de AOW ingaat, ondanks dat beide partijen in eerste instantie van een andere ingangsdatum uitgingen.

Wat was hier aan de hand? Eiser is in 2009 in dienst getreden. In artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de dienstbetrekking in ieder geval eindigt -zonder dat opzegging is vereist – bij het bereiken door werknemer van de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser is geboren in 1950. De arbeidsovereenkomst is per 1 april 2015 beëindigd. Vanaf dat moment heeft de werknemer geen werkzaamheden meer verricht én dus ook geen loon meer ontvangen.

Echter, bij brief van 18 mei 2015 heeft de Sociale Verzekeringsbank eiser bericht dat hij vanaf oktober 2015 een AOW-pensioen krijgt. Eiser vordert betaling van achterstallig loon vanaf 1 april 2015 tot 31 juli 2015 alsmede achterstallig loon over de periode van 1 augustus tot en met 30 september 2015, zijnde het moment van de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Verder vordert eiser de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, vanwege de late betaling door de werkgever.

Allereerst oordeelt de voorzieningenrechter dat het spoedeisende belang aannemelijk is geworden nu eiser onder meer achterstallig salaris vordert. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de SVB de AOW-gerechtigde leeftijd heeft vastgesteld op 1 oktober 2015.

Dat eiser zelf uitging van een geboortedatum van 1 januari 2015, en gedaagde daardoor ook, doet aan het voorgaande niet af. De reden hiervoor is dat de geboortedag niet exact bekend is. Hiervoor geldt echter dat dan als uitgangspunt 1 juli dient te worden genomen. Dit beleid is goedgekeurd door de Centrale Raad van Beroep.

De rechter oordeelt vervolgens dat artikel 2 van de arbeidsovereenkomst op geen andere wijze kan worden uitgelegd dan dat de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2015 is geëindigd, nu het -uitsluitend- de SVB is die beslist op welke datum voor een AOW-gerechtigde het AOW-pensioen aanvangt. Het had op de weg van de werkgever gelegen om na te gaan wanneer de AOW-gerechtigde leeftijd door een van zijn werknemers wordt bereikt. Dat daar in dit geval een misverstand over is ontstaan, komt ligt derhalve binnen de risicosfeer van de werkgever. De werkgever is dan ook in beginsel gehouden is tot doorbetaling van het loon tot 1 oktober 2015. Maar omdat de vanaf geen werkzaamheden meer zijn verricht, is er op grond van de hoofdregel van artikel 628 lid 1 BW ook geen loon verschuldigd, tot 23 mei 2015. Immers, eiser heeft pas na ontvangst van de brief van de SVB zich tot zijn werkgever gericht en aangegeven bereid te zijn om de bedongen werkzaamheden te verrichten, zodat op dat moment de loondoorbetalingsverplichting weer is aangevangen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou zijn beëindigd.

De vordering met betrekking tot de wettelijke verhoging wordt afgewezen omdat beide partijen zelf in eerste instantie zijn uitgegaan van een pensioengerechtigde leeftijd per 1 april 2015. Naar het oordeel van de kantonrechter is het derhalve niet redelijk om in dat geval de wettelijke verhoging toe te wijzen.(ECLI:NL:RBDHA:2015:12098, Rechtbank Den Haag, 9 oktober 2015)

Reageer