In Nederland kennen wij het wettelijk recht op waardeoverdracht. Als een werknemer wil overdragen dienen de uitvoerders en werkgevers verplicht mee te werken aan een overdracht. De overdracht kan financiële consequenties hebben voor uitvoerders en werkgevers. Dat is allemaal geregeld in de Pensioenwet. Daarnaast is er de mogelijkheid van vrijwillige waardeoverdracht. Wanneer sprake is van vrijwillige overdracht hoeft mijns inziens geen betoog, deze situaties zijn duidelijk omschreven in artikel 75 van de Pensioenwet. Wat echter niet duidelijk is, zijn de rekenregels. Ik merk dat nergens echt duidelijk is omschreven hoe dit dient te gebeuren. Zie als voorbeeld ook de discussie onder het artikel Waardeoverdracht een dure grap. Zou niemand zijn vingers daar aan durven te branden? In dit artikel een duidelijke afweging tussen de verschillende standpunten.
De wettelijke bepalingen
De vrijwillige waardeoverdracht gaat over artikel 75 van de Pensioenwet. In lid 1 letter b van dit artikel wordt gesteld dat voldaan dient te worden aan de bepaling van artikel 71 lid 4 van de Pensioenwet. In lid 4 van artikel 71 staat “de ontvangende pensioenuitvoerder waarborgt dat de actuariële waarde van de door de deelnemer te verwerven pensioenaanspraken ten minste gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende waarde van de over te dragen pensioenaanspraken.”
Actuarieel gelijkwaardig is een wassen neus?
Hoe dient men dit begrip actuariële gelijkwaardigheid uit te leggen? In een commentaar dat ik per mail ontving schreef een lezer “Cruciaal zijn inderdaad de woorden “dezelfde grondslagen”. Dit is exact dezelfde formulering als voorheen werd gebruikt in de PSW voor vrijwillige waardeoverdracht. Strekking van deze bepaling was nu juist dat de uitkomst hetzelfde moest zijn, als beide verzekeraars dezelfde grondslagen zouden hanteren. Nu het enige verschil de tariefsgrondslagen zijn, worden de aanspraken juist daardoor anders bij een waardeoverdracht. De verzekeraar hoeft dus alleen maar aan te tonen dat als hij dezelfde grondslagen zou hanteren als de overdragende partij, er hetzelfde pensioen uit zo komen. Daarom was en is actuariële gelijkwaardigheid een wassen neus en wordt gewoon ingekocht tegen contractstarief. Hier is wat mij betreft echt niets in veranderd.”
Er is iets te zeggen voor dit standpunt. Feitelijk stelt men dat als je een pensioen hebt op basis van voordelige actuariële grondslagen (lees: 4% rekenrente en een oude overlevingstafel) en je draagt dat over naar een andere regeling op minder gunstige grondslagen (lees: 3% rekenrente en een nieuwe overlevingstafel) dat je minder pensioen krijgt. Als je als werknemer daarmee instemt, dan is dat geen probleem. Een extra “bewijs” voor deze stelling zou je kunnen vinden in lid 3 van artikel 75. Daar staat dat als een pensioen nog niet volledig is gefinancierd, dan mag het deel dat wel gefinancierd is worden overgedragen, zodat het niet gefinancierde deel komt te vervallen. Als de deelnemer en zijn partner daarmee instemmen is dat geen probleem. De lijn in de PW lijkt daarmee te zijn dat als de deelnemer ergens mee instemt, het wel prima is. Als je deze lijn doortrekt, kan je dus ook stellen dat als een deelnemer door een vrijwillige waardeoverdracht minder pensioen krijgt dan daarvoor en hij stemt ermee in, dat er geen probleem is.
Actuarieel gelijkwaardig is wel degelijk iets!
Hier is echter genoeg tegen in te brengen. De bepaling over de actuariële gelijkwaardigheid is opgenomen in artikel 71 van de PW. Dat is het artikel dat gaat over het wettelijk recht op waardeoverdracht. Bij het wettelijk recht is het systeem als volgt. De aanspraken worden op basis van een standaard tarief omgerekend naar een overdrachtswaarde en op basis van dat zelfde tarief omgerekend naar aanspraken in de nieuwe regeling. Bijzonder voor het wettelijk recht is dat het standaard tarief dat als basis geldt voor de omrekening ook is opgenomen in de wet. Hierdoor is voor alle partijen duidelijk wat het tarief is, zodat er niet per overdracht afspraken hoeven te worden gemaakt. Wat niet ter discussie staat is dat zowel aan de overdragende als aan de ontvangende kant de berekeningen van aanspraken naar overdrachtswaarde en andersom op basis van dezelfde grondslagen dient te geschieden. Dat staat ook letterlijk in lid 4 van artikel 71. Deze methodiek brengt met zich mee dat er een verschil kan ontstaan tussen de afkoopwaarde van de over te dragen aanspraken en de overdrachtswaarde. En voor de ontvangende partij kan een verschil ontstaan tussen de inkoopsom van de in te kopen aanspraken en de overdrachtswaarde. Dat het op deze manier werkt bij een wettelijke recht op waardeoverdracht staat niet ter discussie.
Nu is bij een vrijwillige overdracht voor wat betreft de actuariële gelijkwaardigheid een verwijzing opgenomen naar deze bepaling uit het wettelijk recht. Dan is het voor mij niet aannemelijk om die bepaling ineens anders uit te leggen. Met de woorden “dezelfde grondslagen” wordt dus wel degelijk bedoeld dat partijen daadwerkelijk een omrekening moeten maken van aanspraken naar overdrachtswaarde en andersom op basis van dezelfde grondslagen. Hierdoor kan er dus een verschil ontstaan tussen afkoopwaarde en overdrachtswaarde en inkoopsom. Het enige en daarmee niet onbelangrijke verschil met het wettelijk recht is dat niet is vastgelegd op basis van welke grondslagen dit dient te geschieden. Partijen kunnen dus afspraken maken over de grondslagen, bijvoorbeeld om te zorgen dat er zo min mogelijk verschil zit tussen de afkoopwaarde en de overdrachtswaarde enerzijds en de inkoopsom en de overdrachtswaarde anderzijds. Een voorbeeld in dit kader is te lezen in bijgevoegde brief, waarin een verzekeraar er voor kiest om ook bij vrijwillige overdrachten uit te gaan van de wettelijke rekenregels om de actuariële gelijkwaardigheid te waarborgen. Dat is een manier, maar mijns inziens weer iets te ver doorgeschoten.
Mijns inziens is het vraagstuk bij een waardeoverdracht niet: hoeveel pensioen raakt een deelnemer kwijt. Het vraagstuk is mijns inziens: wie moet het verschil bijbetalen, de overdragende werkgever (of uitvoerder) of de ontvangende partij? De wetgever heeft die vraag beantwoord in geval van een wettelijk recht op waardeoverdracht. Bij een vrijwillige overdracht is die vraag niet beantwoord en dient dus van geval tot geval te worden beantwoord. Het is dan ook niet de bedoeling om deze onduidelijkheid aan te grijpen om de rekening op het bordje van de deelnemer te leggen.




Ik ben nu bezig met een “vrijwillige” waardeoverdracht van een verzekerde regeling op basis van beleggingen naar een verzekerde regeling bij Delta Lloyd op basis van middelloon. Aegon heeft het door relatoe ondertekende verzoek op 5-8-2011 ontvangen em stelt dat zij conform hun voorwaarden altijd de laatste dag van de maand de participaties gaan verkopen en de waard overdragen.
Stelt de PensioenWet niet dat de waardeoverdracht binnen 14 dagen afgewikkeld moet zijn?