Vrijstellingen van verplichte deelname aan een pensioenfonds blijven voer voor discussie

In de afgelopen maand zijn weer twee uitspraken gewezen, waarin een vrijstelling van verplichte deelname aan een pensioenfonds ter discussie staat.

Wat was er aan de hand? In de kwestie van de Rechtbank Rotterdam van 8 februari 2018 hadden de drie ondernemingen bij PFZW een verzoek tot vrijstelling ingediend op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit. Dit is een vrijstelling op andere dan de in het besluit opgenomen verplichte, gronden, waarbij het pensioenfonds een discretionaire bevoegdheid heeft om hierover beslissingen te nemen. De Rechtbank past dan ook een terughoudende toets toe. In het uitvoeringsreglement van PFZW is opgenomen dat alleen een vrijstelling op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit wordt verleend als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat de belangen van de werkgever zwaarder wegen dan de belangen van het pensioenfonds. De door de werkgevers in deze kwestie aangehaalde belangen:

  • In het verleden geen bekendheid inzake verplichte aansluiting;
  • Onzorgvuldige facturering;
  • Benadeeld door verplichte aansluiting;
  • Beroep op gelijkheidsbeginsel
  • Beroep op het vertrouwensbeginsel;

zijn allemaal niet voldoende om dat zwaarwichtige belang aan te tonen volgens het pensioenfonds en de Rechtbank kan dit oordeel van het pensioenfonds volgen. Op het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt door de Rechtbank uitgebreider ingegaan, omdat PFZW tot november 2016 een soepeler vrijstellingenbeleid hanteerde, dan daarna. Het verzoek door de werkgevers is eind 2016 gedaan, derhalve na de wijziging van het beleid. Het is echter een recht van PFZW om haar beleid te wijzigen. Dat in aangehaalde kwesties, waarbij het verzoek vóór november 2016 is gedaan, wel een vrijstelling is verleend, helpt de werkgevers dan ook niet.

In de kwestie van rechtbank Rotterdam d.d. 15 februari 2018 was sprake van een werkneemster die het niet eens was met de vrijstelling die het pensioenfonds aan haar werkgever had verleend. De werkgever informeerde de werkneemster in augustus 2016 over de verkregen vrijstelling. Dat was meer dan zes weken na het besluit van het pensioenfonds. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belanghebbende nog twee weken de tijd om bezwaar te maken, vanaf het moment dat er bekendheid bestaat met het besluit. Dit deed de werkneemster pas zes maanden later. Het feit dat ze wel binnen twee weken bezwaar maakte bij de werkgever, helpt haar niet. De werkgever is immers niet het orgaan dat het besluit heeft genomen en de werkgever hoeft het bezwaar ook niet door te zenden aan het pensioenfonds. De werkneemster is dan ook niet ontvankelijk in haar vordering. De vraag is wel hoe de Rechtbank de kwestie beoordeeld zou hebben, als de werkneemster wel tijdig bezwaar gemaakt zou hebben. Immers op grond van het Vrijstellingsbesluit liggen de bevoegdheden van een pensioenfonds inzake het verlenen van een vrijstelling aardig vast. Alleen de vrijstelling op grond van artikel 6 geeft het pensioenfonds een discretionaire bevoegdheid, op grond waarvan de rechter dan wel een terughoudende toets hanteert. Daarbij moet de vraag gesteld worden wat het nadeel van de werkneemster kan zijn, bij de verleende vrijstelling, nu aan een vrijstelling normaliter de voorwaarde van een eigen gelijkwaardige pensioenregeling wordt gekoppeld.

Rechtbank Rotterdam, 8 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:832
Rechtbank Rotterdam, 15 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:999

 

Een reactie op “Vrijstellingen van verplichte deelname aan een pensioenfonds blijven voer voor discussie”

  1. Willem Smedes

    Vrijstellingen van verplichte deelname aan een pensioenfonds blijven voer voor discussie: rechtbank Rotterdam d.d. 15 februari 2018.
    Is het pensioenfonds wellicht tekort geschoten in zijn zorgplicht om de toekomstige deelnemer te informeren omtrent de (voorgenomen) deelname aan het fonds?

    Beantwoorden

Reageer