Valt een werkgever onder de werkingssfeer van Stichting BPF Beroepsvervoer over de weg of onder de werkingssfeer van Stichting BPF Metaal en Techniek?

Het betreft een gemengde onderneming, waarin de ondernemer zowel een garage als een koeriersbedrijf drijft.

Op grond van de verplichtstellingsbeschikking dient een werkgever de werkzaamheden verricht die vallen onder de werkingssfeer zich aan te sluiten bij het pensioenfonds en ten behoeve van de werknemers premies af te dragen aan zowel het Bpf Vervoer als het de Stichting opleidings- en ontwikkelingsfonds beroepsgoederenvervoer (hierna SOOB).

Appellant drijft als eenmanszaak een gemengde onderneming, waarbij de werkzaamheden bestaan uit twee activiteiten, zijnde koerierswerk en een garagebedrijf. Het koerierswerk wordt vrijwel uitsluitend door de eigenaar verricht en voor het garagebedrijf zijn enkele werknemers in dienst.

Bpf Vervoer heeft de ondernemer verzocht om bedrijfsgegevens aan te leveren, om te kunnen vaststellen of hij verplicht is zich aan te sluiten. De ondernemer heeft hierop niet gereageerd, zodat Bpf Vervoer de ondernemer ambtshalve heeft aangesloten en derhalve premienota’s verzonden. Pas na verloop van bijna 1 jaar heeft de ondernemer tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het bezwaar is gesteld dat de koeriersdienst, waar de grootste omzet wordt gehaald, wordt uitgevoerd door de ondernemer zelf. Hiervoor zijn geen werknemers in dienst, behoudens de enkele keer dat een uitzendkracht in werd gezet. Voor het garagebedrijf waren wel werknemers in dienst, zodat de ondernemer zich op het standpunt stelde dat hij viel onder de CAO voor het garagebedrijf (Klein Metaal) omdat de looncomponent in de activiteit garage veel groter is dan in het koerierswerk.

Bpf Vervoer erkent dat er sprake is van een gemengde onderneming, maar handhaaft haar besluit tot ambtshalve aansluiting. De ondernemer heeft geen nadere bedrijfsgegevens verstrekt, zodat Bpf Vervoer en SOOB ambtshalve facturen hebben opgemaakt.

De vorderingen van Bpf Vervoer en SOOB zijn in eerste aanleg toegewezen. Het Hof is van oordeel dat bij gebreke van een reactie van de ondernemer, zij niet gehouden waren om de aansluiting ongedaan te maken. Als niet weersproken mochten Bpf Vervoer en SOOB ervan uitgaan dat de meeste omzet met de koerierswerkzaamheden werd behaald én op die grond de onderneming kwalificeren als een onderneming die “uitsluitend of in de hoofdzaak werkzaamheden uitoefent behorende tot het wegvervoer”. Als dat niet het geval was geweest, dan had het op de weg van de ondernemer gelegen om daarover aanvullende informatie te verstrekken. De poging van de ondernemer om bij pleidooi in hoger beroep nog stukken in te brengen waaruit blijkt dat de ondernemer per 1 januari 2012 is aangesloten bij het Bpf Metaal en Techniek worden door het Hof niet geaccepteerd omdat dit in strijd is met de goede procesorde.

Het hoger beroep wordt afgewezen.

ECLI:NL:GHAMS:2015:3250 , Gerechtshof Amsterdam, d.d. 11-08-2015

Reageer