Uitkering uit loonstamrecht behoort niet tot ‘lijfrente’ ex art. 19 v/h belastingverdrag Nederland – VS

Op 19 mei 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak waarbij de Raad zich heeft uitgelaten over de belastingheffing over een uitkering uit een stamrecht dat is verkregen wegens ontslag uit een in de Verenigde Staten van Amerika (VS) uitgeoefende dienstbetrekking (nr. 16/02463).

Belanghebbende heeft circa 13 jaar in de VS gewoond en aldaar in dienstbetrekking gewerkt. In 2010 is die dienstbetrekking beëindigd. Belanghebbende is na zijn ontslag in Nederland gaan wonen. Belanghebbende heeft een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een koopsom voor een loonstamrecht. Onder gebruikmaking van de loonstamrechtvrijstelling (art. 11, lid 1, ond. g Wet LB 1964) werd de ontslagvergoeding ondergebracht bij een daartoe opgerichte stamrecht-BV. In 2011 heeft de stamrecht-BV een eerste uitkering uit hoofde van het stamrecht gedaan. Hierop werd loonheffing ingehouden.

Volgens het Hof Den Bosch (nr. 14/01039) komt het heffingsrecht over de stamrechtuitkering toe aan Nederland omdat sprake is van een lijfrente in de zin van artikel 19 van het belastingverdrag Nederland – Verenigde Staten. In aansluiting hierop concludeerde de A-G van de Hoge Raad tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (nr. CPG 16/02463).

De Hoge Raad is het niet eens met het oordeel van het hof. De Raad oordeelt dat tot een lijfrente in de zin van genoemd artikel niet kan worden gerekend het recht op periodieke uitkeringen dat een (ex-)werknemer in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking heeft verkregen van zijn (ex-)werkgever. De uitspraak van het hof kan niet in stand blijven en de zaak wordt verwezen voor een nadere beoordeling van de aard van de in 2011 gedane uitkering.

Het arrest is op 19 mei 2017 gepubliceerd.

Reageer