Terecht geen stakingslijfrente-aftrek. Niet voldaan aan vereisten artikel 3.129 Wet IB 2001

Op 18 april 2018 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan (HAA 16/3458) in een procedure waarbij in geschil was of bij het vaststellen van de aanslag terecht een bedrag van € 100.000 niet in aftrek is toegelaten als premies voor lijfrente wegens de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. In de zaak speelde het volgende.

In de jaarrekening van de B.V. van dga X voor 2012 is opgenomen een voorziening uit hoofde van een stamrecht ten behoeve van dga X. Op 31 december 2011 heeft X zijn onderneming gestaakt. De koper van de onderneming heeft de koopsom van € 250.000 in januari 2012 op verzoek van X overgemaakt naar een bankrekening van de B.V. X wenste zijn stakingswinst voor een gedeelte groot € 150.000 om te zetten in een lijfrente  en daarbij gebruik te maken van de faciliteit van artikel 3.129 Wet IB 2001. Per abuis is dit bedrag echter aangewend voor een (loon)stamrechtrekening in de zin van artikel 11a Wet LB 1964 (ontslagstamrecht) bij N.V. B. Dit berust op een foute aanvraag van de verzekeringsadviseur van X. De fout is gedeeltelijk hersteld, met terugwerkende kracht, en er is alsnog een bedrag van € 50.000 gestort in een bancaire lijfrente in de zin van artikel 1.7 Wet IB 2001. Tijdens de bezwaarfase heeft de inspecteur aan X de mogelijkheid geboden om ook het foutief overgemaakte restantbedrag van in totaal € 100.000 alsnog aan te wenden voor een lijfrente als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet IB 2001. Van die mogelijkheid heeft X uiteindelijk geen gebruik gemaakt.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank in zoverre niet voldaan aan de vereisten die artikel 3.129 in verband met artikel 3.124 van de Wet IB 2001 stelt aan het in aanmerking nemen van uitgaven voor inkomensvoorzieningen in verband met de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. De inspecteur heeft het door de B.V. aan N.V. B betaalde bedrag ter grootte van € 100.000 dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

De uitspraak is op www.rechtspraak.nl gepubliceerd op 14 mei 2018.

Reageer