Schoon wetgeving rond lijfrentes op

In de tweede pijler wordt er veel gedaan om de uitkeringsfase van dc-regelingen makkelijker te maken. Maar volgens Theo Gommer is er veel te weinig aandacht voor de uitkeringsfase van lijfrentes in de derde pijler. Terwijl juist daar de regels complex en onlogisch zijn.

Vaak hoor ik de mogelijkheden van ‘laaghangend fruit’ voor de wetgever om zo hier en daar wat aanpassingen te doen in het ‘pensioenregime’. Soms gebeurt dat, zoals bij de tijdelijke maatregel van de pensioenknip in de tweede pijler.

Het lijfrenteregime in de derde pijler, dus ‘pensioen’ in de inkomstenbelastingsfeer, wordt hierbij echter ten onrechte vaak overgeslagen. Terwijl we steeds meer zzp’ers hebben die daar gebruik van moeten maken. Dat gaat gezien de vergrijzing meer en meer om de uitkeringsfase. Het betreft hier miljarden euro’s.

Wat mij stoort is dat er vandaag de dag bij lijfrentes nog steeds onderscheid gemaakt wordt tussen banken en verzekeraars. Bijvoorbeeld als het gaat om zogeheten overbruggingslijfrentes. Dit product werd in het verleden door veel werknemers en ondernemers zonder VUT of prepensioenregeling afgesloten bij verzekeraars, zodat ze eerder konden stoppen met werken. Deze lijfrente was dan bedoeld om bijvoorbeeld de laatste vijf jaar voor hun AOW qua inkomen te ‘overbruggen’. Theo Gommer

In 2005 is de overbruggingslijfrente afgeschaft, samen met de vut en het prepensioen. Alleen de ingelegde gelden tot 2005 kunnen op dit moment nog worden gebruikt om een overbruggingslijfrente aan te kopen bij een verzekeraar. Maar wie zijn polis inmiddels heeft overgebracht naar een bank, bijvoorbeeld vanwege betere rendementen of lagere kosten, mag geen overbruggingslijfrente aankopen bij diezelfde bank.

Waarom mag ik geen overbruggingslijfrente, gebaseerd op het regime tot 2005, aankopen bij een bank? In de tijd bezien lijkt dit logisch. De overbruggingslijfrente is in 2005 afgeschaft en banken kwamen pas in 2008 op de lijfrentemarkt. Maar het gevolg is dat zzp’ers die hun bancaire lijfrente willen laten ingaan op hun zestigste, deze niet in vijf jaar mogen laten uitkeren. Ze zitten vast aan een termijn van vijfentwintig jaar.

De zzp’er is echter niet gebaat bij zo’n lange uitkeringsfase. Die wil immers het gepaarde kapitaal in vijf jaar opmaken, voordat zijn AOW en eventuele andere aanvullende pensioenuitkeringen ingaan. Maar nu moet de consument weer terug naar een verzekeraar om een overbruggingslijfrente af te kunnen sluiten. Waarom deze onnodige rompslomp? Juist banken zijn toch goed in kortlopende uitkeringen?

Het onlogische onderscheid tussen banken en verzekeraars geldt ook voor kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule, gebaseerd op het regime tot 1992. Bij dit product werd een kapitaal van bijvoorbeeld €100.000 verzekerd op pensioendatum, waaraan de clausule gekoppeld was dat er met dit geld een lijfrente moest worden aangekocht. In het oude regime was er veel vrijheid in het vormgeven van die lijfrente.

Op zich mag een zzp’er dit type kapitaalverzekeringen tegenwoordig onderbrengen bij een bank. Maar dan is hij wel het oude, zeer vrije, regime kwijt. Terwijl juist een bank veel beter kan omgaan met vrijekeuzemogelijkheden. Denk aan onbeperkt uitstellen, in combinatie met gedeeltelijke afkoop. Bij een verzekeraar is er altijd weer een (complexe) actuariële berekening noodzakelijk als iemand van dergelijke opties gebruik wil maken.

Ook het ‘rare’ 1%-criterium bij tijdelijke uitkeringen kan overboord wat mij betreft. Dit criterium houdt in dat een lijfrente minimaal een duur moet kennen waarin de gerechtigde 1% kans heeft om te overlijden. In de praktijk houdt dit in dat iemand die een bepaalde uitkering wil voor bijvoorbeeld vier jaar, genoegen moet nemen met een lagere uitkering die is uitgesmeerd over vijf jaar.

De enige lijfrente die hier echt nog door wordt geraakt is de tijdelijke nabestaandenlijfrente, die uitkeert als er iemand is overleden. Moeten we daar nou zo moeilijk over doen?

Door het 1%-criterium af te schaffen, wordt het makkelijker voor zzp’ers om ook in slechte tijden al gebruik te maken van hun lijfrentegeld. Overigens moeten verzekeraars dan ook een ‘levenslange’ lijfrente van maar twintig jaar kunnen uitkeren, onbeperkt qua hoogte, net als banken. Gelijke behandeling geldt uiteraard voor alle aanbieders.

Ik stel voor dat de wetgevingsjuristen van Financiën eens een middagje gaan zitten om het lijfrenteregime eens lekker op te schonen. En een minder paternalistisch en eigentijds gezicht geven. Door alle overgangsregimes en reparaties is het ook veel te ingewikkeld geworden.

Terwijl juist een eigen lijfrente gewoon een ‘zak met geld’ is waarbinnen ruime voorwaarden uit geput moeten kunnen worden. Een mooi klusje voordat het wetgevingsgeweld over de toekomst van ons pensioenstelsel echt losbarst. Nu alvast wat ‘laaghangend fruit’ pakken voordat we overgaan naar een meer individueel stelsel, zorgt ervoor dat iedereen beter aan z’n eigen financiële planning kan doen.

Reageer