• Home
  • Cijfers 2010
  • Bloggers
  • Colofon
  • Pencyclopedie
  • U bent adviseur

    Woekerpolissen; meer dan alleen maar hoge kosten!

    Vandaag kopte de Telegraaf over woekerpolissen. Woekerpolis: 99,2% inleg verloren… Dit moet wel de ultime woekerpolis zijn. Vanuit mijn vaktechnische achtergrond boeit een dergelijke casus mij bovenmatig. Zonder het dossier inhoudelijk te kennen is het niet moeilijk om aan te geven wat hier is gebeurd.

    Universal life techniek
    Deze verzekering is gebaseerd op het zogenaamde universal life principe. Universal life is een verzekeringstechniek die uitermate flexibel is. Deze techniek werkt als volgt.

    1. De premie wordt verminderd met eerste kosten.
    2. Vervolgens wordt met de resterende premie beleggingsfondsen aangekocht in de door de verzekeringnemer gekozen beleggingen.
    3. Periodiek, meestal maandelijks, worden doorlopende kosten in rekening gebracht. Deze kosten worden betaald door beleggingen te verkopen.
    4. Als gekozen is voor aanvullende risicoverzekeringen, bijvoorbeeld voor overlijden, wordt hiervoor een risicopremie berekend. Deze premie wordt ook betaald door beleggingen te verkopen.
    5. De verzekering bestaat uit een aantal beleggingseenheden. De waarde van de verzekering is het aantal beleggingseenheden maal de waarde per eenheid.

    De situatie van een risicoverzekering bij overlijden heb ik schematisch weergegeven.

    De groene lijn is de waarde van de beleggingen. Deze neemt in mijn tekening toe door het betalen van premies en het behalen van een positief rendement. De rode lijn is het kapitaal dat bij overlijden uitgekeerd moet worden. In mijn tekening is dat een dalende lijn. Het verschil tussen de rode en de groen lijn, weergegeven als een stippellijn, is het risico dat de verzekeringsmaatschapij loopt als de verzekerde komt te overlijden. Het verschil tussen de waarde van de beleggingen en het gewenste kapitaal bij overlijden. Het risicokapitaal is gelijk aan de stippellijn en daarvoor wordt een premie berekend. Deze premie wordt betaald door beleggingen te verkopen.

    Risicopremies
    Naarmate iemand ouder wordt, wordt de risicopremie voor een overlijdensverzekering duurder. Als je in de tekening kijkt, zie je echter dat het te verzekeren kapitaal bij overlijden (stippellijn) steeds kleiner wordt. Dat heft elkaar voor een groot deel op. Daar komt nog bij dat om de risicopremie te kunnen betalen er beleggingen moeten worden verkocht. De beleggingen zijn echter meer waard geworden, zodat om eenzelfde risicopremie te kunnen betalen, er steeds minder beleggingen verkocht hoeven te worden.

    Rendement
    Bij het maken van een offerte en het afgeven van prognoses voor het eindkapitaal maken verzekeringsmaatschappijen berekeningen, waarbij een bepaald rendement (groene lijn) wordt verondersteld. Meestal is dat een positief rendement. Wat in veel gevallen gepresenteerd wordt is het scenario als in mijn tekening opgenomen. Een positieve ontwikkeling van de groene lijn. Maar wat gebeurt er nu als de beleggingen niet zo goed renderen als verondersteld? Wat als ik beleggingsverliezen heb. Dat laatste is immers de actualiteit.

    Negatief rendement
    Als ik minder rendement maak dan verondersteld, dan zal lijn A minder hard groeien, of zelfs dalen. Doordat de groene lijn achterblijft bij de verwachtingen, zal het verschil tussen de groene en de rode lijn (stippellijn) groter zijn dan verondersteld. Ik moet dus meer risicopremies betalen dan ik had verwacht. Om die hogere risicopremies te betalen worden dus voor meer geld beleggingen verkocht dan verwacht. Die beleggingen zijn echter minder waard dan verwacht, waardoor ik niet alleen een hoger bedrag moet verkopen, maar ook nog eens meer beleggingen moet verkopen. Daardoor zal de groene lijn nog minder hard groeien of zelfs nog meer gaan dalen. Als gevolg van die daling zal het verschil tussen de groene en de rode lijn alleen maar toenemen, waardoor ik de volgende maand nog meer risicopremie moet betalen, met als gevolg dat ik voor nog meer geld beleggingen moet verkopen. Als het dus slecht gaat bij een universal life verzekering gaat het dus extra slecht. Een negatief hefboomeffect.

    In de discussie over woekerpolissen gaat het voortdurend over kosten. Dat is een te eenzijdige benadering van de problematiek. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is het hefboomeffect in universal life verzekeringen een belangrijke factor in de tegenvallende opbrengsten van beleggingsverzekeringen. Ik denk dat in veel situaties het hefboomeffect belangrijker is geweest dan de kostenstructuur. Als ik van een afstand de casus uit de Telegraaf moet verklaren, dan denk ik dat het hefboomeffect een heel belangrijke factor is geweest.

    Zijn woekerpolissen te voorkomen?
    Het hefboomeffect van universal life verzekeringen blijft vaak buiten beschouwing in de discussie. Dat is jammer, want daardoor blijven dergelijke situaties zich voordoen, ook als de kostenstructuur van verzekeringen belangrijk zal worden verlaagd. Stel dat je een kosteninhouding hebt van nul, dan kan je door bovengenoemd hefboomeffect nog steeds voor onaangename verrassingen komen te staan.

    Beschikbare premieregelingen zullen nooit een succes kunnen worden

    Op 23 oktober 2007 zijn vernieuwde staffels gepubliceerd (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212.) De uitgangspunten van de gepubliceerde staffels zijn echter zodanig, dat ik niet verwacht dat veel werkgever zullen over stappen naar beschikbare premie. Een toelichting.

    Uitgangspunten
    De staffels gaan uit van een mannelijke werknemer met een vrouwelijke partner die 3 jaar jonger is.
    In de praktijk leeft een vrouw gemiddeld een aantal jaren langer dan een man. Het pensioen van een vrouw is dan ook duurder dan dat van een man. Doordat de staffels zijn gebaseerd op een mannelijke werknemer kan worden geconstateerd dat een vrouw nooit aan een volwaardig pensioen kan komen. Beschikbare premieregelingen worden echter al geruime tijd uitgevoerd op basis van geslachtsonafhankelijke tarieven. Dat wil zeggen dat het tarief voor mannen en vrouwen gelijk is. Feitelijk heeft men het tarief van een vrouw verlaagd en van een man verhoogd, waardoor ze gelijk zijn. De conclusie luidt dan ook dat niet alleen vrouwen, maar ook manen te weinig pensioen opbouwen. De oplossing is eenvoudig, baseer de staffels ook op geslachtsonafhankelijke tarieven.
    De rekenrente is 4%.
    De garantietarieven van veel verzekeringsmaatschappijen zijn gebaseerd op een rekenrente van 3%. Stel dat een werkgever een gegarandeerde middelloonregeling heeft toegezegd, dan zal de premie, uitgaande van 3% rekenrente, dus veel hoger zijn dan de beschikbare premiestaffels (de staffels zijn gebaseerd op 2,25% middelloon). De maximale inleg in middelloon is dus hoger dan in beschikbare premie vanwege de lagere rekenrente.
    Als een werkgever een gegarandeerde middelloonregeling zou willen vervangen door een beschikbare premieregeling, dan wentelt hij een deel van het risico af op de werknemer. De werknemer krijgt immers geen gegarandeerde uitkering meer, maar een financiering van zijn pensioen. Een werknemer zou die risicoafwenteling slechts accepteren als hij daarvoor een compensatie krijgt. Die compensatie zou een hogere premie moeten zijn. Een hogere premie dan in een middelloonregeling is echter niet mogelijk, daar de staffels uitgaan van een lagere premie. Hierdoor is het derhalve onmogelijk om een middelloonregeling te vervangen door een beschikbare premieregeling, waarbij tevens de risicoafwenteling wordt gecompenseerd.

    Conclusie
    Door niet uit te gaan van geslachtsonafhankelijke tarieven is de premie inleg in een beschikbare premieregeling te weinig. Door niet uit te gaan van het garantierendement van verzekeraars (3%) maar van 4% wordt dit alleen nog maar verergerd. Als ik daar tevens nog een compensatie voor de risicoafwenteling bij optel, dan kan ik niet anders concluderen dan dat de ruimte in een beschikbare premieregeling zo gering is, dat een goed geïnformeerde werknemer nooit akkoord zou gaan met beschikbare premie als vervanging van een goede eind- of middelloonregeling. Alleen een matige eind- of middelloonregeling (1,5% per dienstjaar of minder) zou vervangen kunnen worden door een beschikbare premieregeling, waarbij de beschikbare premie dan ongeveer gelijk zou moeten zijn aan de gepubliceerde staffels.

    Pensioenaangroei en middelloon

    Ieder jaar verstrekken pensioenuitvoerders een opgave van de pensioenaangroei (de factor A). Deze factor A is nodig voor de berekening van de maximale lijfrenteaftrek. Bij de berekening van de lijfrenteaftrek dient de factor A maal 7,5 in mindering te worden gebracht op de aftrekruimte. Dus hoe hoger de factor A, hoe lager de lijfrenteaftrek.

    Voor een salaris/diensttijd regeling (eindloon en middelloon) is de factor A gelijk aan de in dat jaar geldende pensioengrondslag (salaris minus de franchise) maal het opbouwpercentage.

    Bijvoorbeeld:
    Salaris € 50.000,-
    Franchise € 15.000,-
    Pensioengrondslag derhalve € 35.000,-
    Opbouwpercentage per dienstjaar 2%
    Aangroei (€ 35.000,- x 2%) € 700,-
    Het pensioensysteem, eindloon of middelloon, maakt in deze niet uit voor de systematiek.

    Sinds het begin van deze eeuw zien we een duidelijke trend van eindloon naar middelloon. Waar in 2000 de meerderheid van de pensioenregelingen nog in meer of mindere mate waren gebaseerd op eindloon is dat in 2008 veranderd in middelloon.

    De overgang van eindloon naar middelloon resulteert vaak in een verhoging van het opbouwpercentage in de pensioenregeling. Op zich is dat logisch. Middelloon resulteert bij eenzelfde opbouwpercentage meestal in minder pensioen dan eindloon. Dit is ook de reden geweest dat de wetgever voor middelloon een hoger opbouwpercentage toestaat dan voor eindloon (artikel 18a Wet LB). In de Memorie van toelichting bij de behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen is de volgende passage opgenomen.

    Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 26 020, nr. 3 pagina 21

    Kenmerkend voor het middelloonstelsel is dat pensioenopbouw plaatsvindt over het per dienstjaar genoten loon zodat het pensioenresultaat gebaseerd is op een gemiddeld loon. Bij een gelijk opbouwpercentage zal
    het pensioenresultaat daardoor lager uitkomen dan in een eindloonregeling. Indien men het pensioenresultaat toch overeen wil laten komen met het pensioenresultaat dat in een eindloonregeling zou zijn bereikt, kan een maximaal opbouwpercentage van een ouderdomspensioen van 2% zoals dat bij eindloonregelingen is toegestaan, te laag zijn. In het algemeen zal een jaarlijkse opbouw met 2,25% tot een pensioen leiden dat vergelijkbaar is met een pensioen op basis van 2%-eindloon.

    Uitgaande van deze toelichting ligt het dan ook voor de hand te veronderstellen dat een eindloonregeling met 2% per dienstjaar eenzelfde factor A zou opleveren als een middelloonregeling met 2,25% per dienstjaar. Zoals ik echter reeds heb opgemerkt is dat niet het geval. Middelloon geeft slechts bij hetzelfde opbouwpercentage een zelfde factor A als eindloon.

    Kijkend naar de parlementaire behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen, kan ik niet anders dan concluderen dat de huidige methodiek voor de berekening van de factor A niet juist is. Een juiste methode zou zijn om bij een middelloonregeling de factor A te berekenen door de pensioengrondslag te vermenigvuldigen met het opbouwpercentage en deze te corrigeren met de factor 2/2,25. Alleen op die manier wordt recht gedaan aan het karakter van een middelloonregeling.

    Ik roep de politiek dan ook op dit bij gelegenheid recht te zetten (belastingplan 2009 ? ).

    WGA-hiaat bom onder Nederlands pensioenstelsel

    Het wetsvoorstel tot wijzigingen in de Pensioenwet (publicatienummer 31226) is in behandeling in de Eerste Kamer. In dit wetsvoorstel is een voorstel opgenomen om pensioenfondsen als uitvoerder voor WGA-hiaat verzekeringen toe te staan.

    Een WGA-hiaat verzekering is een aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van overheidswege. De WGA-uitkering kent een directe relatie tussen de mate waarin de restcapaciteit van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer wordt benut en de hoogte van de uitkering. Indien de restcapaciteit in onvoldoende mate wordt benut, zal de WGA-uitkering dalen. WGA-hiaat verzekeringen die dergelijke hiaten opvullen, voorzien derhalve in een WW gerelateerde uitkering.
    Op grond van de EG-Richtlijn 2003/41/EG van 3 juni 2003 is het in Nederland gevestigde pensioenfondsen niet toegestaan om dergelijke producten aan te bieden. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen door de Eerste Kamer zal dat leiden tot mededingingsverstoring tussen pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen.

    De verplichte deelname aan pensioenfondsen in Nederland is in het verleden onderwerp van discussie geweest. Ik denkdat wijziging van de Pensioenwet op dit terrein de discussie wederom in alle hevigheid zal doen losbarsten, tot aan het Europese Hof van Justitie. Daarbij sluit ik niet uit dat de discussie dan wel eens in het nadeel van de verplicht gestelde pensioenregelingen kan gaan uitpakken.

     
    Feedback Form