• Home
  • Cijfers 2010
  • Bloggers
  • Colofon
  • Pencyclopedie
  • U bent adviseur

    Premievrijstelling

    Bijna alle pensioenregelingen bevatten premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Dit is een aanvullende verzekering die zorgt dat de pensioenopbouw wordt voortgezet bij arbeidsongeschiktheid. Als de pensioentoezegging gebaseerd is op beschikbare premie, dan is er geen sprake van voortzetting van de pensioenopbouw, maar van de premiebetaling. Een belangrijke vraag is dan welke premie er wordt doorbetaald. Is dat de laatst bekende premie, of wordt er rekening gehouden met het feit dat de premie(staffel) in de toekomst zal stijgen.

    Of de premievrijstelling staffelvolgend is of niet, is een fundamentele vraag. Als de premievrijstelling niet staffelvolgend is, dan wordt dus niet de volledige pensioenopbouw voortgezet. De toekomstige stijgingen in de premiestaffel worden immers niet meegenomen, waardoor het volledige ambitieniveau niet kan worden bereikt.

    Deze vraag heeft vorig jaar voorgelegen bij de Commissie Gelijke Behandeling. In uitspraak 2007-118 is de commissie hier op ingegaan. Een verzekeringsmaatschappij heeft de casus voorgelegd. Naar het oordeel van de commissie maakt zij geen verboden onderscheid als zij bij een beschikbare premieregeling bij arbeidsongeschiktheid van een deelnemer een premie hanteert die niet meestijgt met de leeftijd.

    De commissie komt tot dit oordeel omdat een (gedeeltelijk) arbeids(on)geschikte werknemers met een WAO- of WIA-uitkering voor het deel dat zij arbeidsongeschikt zijn en actieve werknemers in het kader van een beschikbare premieregeling voor wat betreft premieaanspraak en -opbouw niet als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt in de zin van de gelijkebehandelingswetgeving. Verschillende behandeling levert dus geen verboden onderscheid op.

    Een belangrijke vraag is echter wat hier over wordt verteld aan de werknemers. Ik heb een aantal pensioenregelingen en de bijbehorende communicatie hierop nageslagen. In de praktijk blijkt dat er wordt verteld dat er premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is meeverzekerd. Dit staat onder andere op de uniforme pensioenopgave (UPO). Nergens wordt echter aangegeven of deze premievrijstelling staffelvolgend is. Wel wordt de suggestie gewekt dat de pensioenopbouw gewoon doorgaat. Bij wie zal de werknemer dan aankloppen als achteraf blijkt dat hij door arbeidsongeschiktheid toch niet aan zijn volledige pensioen komt?

    Pensioenopbouw over de voorperiode

    Onlangs heeft Hof Den Bosch een uitspraak gedaan inzake pensioenopbouw over de voorperiode. De inspecteur had een correctie in de vennootschapsbelasting aangebracht. Naar het oordeel van het Hof ten onrechte. Daarmee lijkt pensioenopbouw over de voorperiode ineens toegestaan. Maar ga nu niet allemaal pensioen opbouwen over de voorperiode, want dat gaat mis!

    De BV werd opgericht in 2001. De resultaten van de in de BV ingebrachte onderneming werden vanaf 1 januari 1996 aan de BV toegerekend. Aan de DGA werd een pensioen toegekend. Voor het bepalen van de voorziening werd rekening gehouden met een diensttijd die begon op 1 januari 1996.

    De inspecteur stelde dat het pensioen niet in overeenstemming was met de regelgeving omtrent pensioen uit de loonbelasting. Op grond van artikel 10a Uitvoeirngsbesluit LB is het immers niet toegestaan pensioen op te bouwen over de voorperiode. Als gevolg hiervan zou het pensioen tot het loon gerekend moeten worden.

    Het hof stelde de inspecteur in het ongelijk ten aanzien van de correctie, want als het pensioen tot het loon gerekend zou moeten worden, dan zou dat ook tot een last behoren die bij het bepalen van de winst in aftrek kan worden gebracht. De correctie VPB is derhalve ten onrechte gedaan.

    Hiermee is pensioenopbouw over de voorperiode niet ineens toegestaan. Dit is een voorbeeld van een verkeerde correctie en een verkeerde procedure. Niet de aangifte VPB had moeten worden gecorrigeerd, maar het pensioen had tot het loon gerekend (LB) moeten worden. In deze casus komt de belastingplichtige erg goed weg.

    Cijfers 2009

    Allereerst wensen wij alle lezers van Nationaal Pensioenweblog een voorspoedig 2009 toe. We hopen op een goed pensioenjaar met elkaar. In dit artikel treft u een overzicht van de belangrijkste (pensioen) cijfers aan voor 2009.

    Pensioen
    De AOW-franchise op basis van 10/7 zelfstandige AOW is € 12.465,-. Dit is de franchise die is gebaseerd op de minimaal te hanteren AOW bedragen voor de berekening van het pensioen. De AOW-franchise op basis van 10/7 ongehuwde AOW is € 18.145,- Deze bedragen dienen te worden gehanteerd indien sprake is van pensioen in eigen beheer.

    Het premiepercentage volksverzekeringen voor de AOW is ongewijzigd gebleven op 17,9%. Dit bedrag is van belang voor de berekening van de premiecompensatie voor het AOW-overbruggingspensioen (overgangsregime) en het nabestaandenoverbruggings- pensioen.

    De AOW voor een zelfstandige bedraagt € 8.725,68. Het dubbele bedrag, € 17.451,36 mag bij pensionering vóór 65 jaar worden overbrugd door middel van uitruil van een deel van het ouderdomspensioen.

    De ANW bedraagt € 13.646,40. Dit bedrag is in veel regelingen het uitgangspunt voor het nabestaandenoverbruggingspensioen (ANW-hiaat). De halfwezenuitkering is € 3.164,88.

    Lijfrente
    De franchise voor de  jaarruimte bedraagt € 11.345,-. De maximum premiegrondslag is weer verhoogd naar het ‘oude hoge niveau’ van € 155.827,-. De maximale jaarruimte bedraagt daarmee € 26.491,-. De reserveringsruimte is maximaal € 6.703,- en de reserveringsruimte voor 55+ers is € 13.238,-. De tijdelijke lijfrente bedraagt per jaar maximaal € 20.097,-.

    Voor de ondernemers nog de cijfers voor de oudedagsreserve. De toevoeging is maximaal 12% van de winst, met als absoluut maximum € 11.590,-. De stakinsvrijstelling (voor aankoop van een lijfrente) bedraagt € 424.978,- (60+, overlijden of arbeidsongeschikt met een binnen 6 maanden ingaande uitkering) € 212.495,- (50+ of direct ingaand) en tenslotte € 106.253,- (de rest).

    Het bedrag voor afkoop gering pensioen (artikelen 66 van de Pensioenwet en 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling) bedraagt € 417,74.

    Waarom pensioen en niet gewoon sparen?

    Pensioen levert vaak meer op dan gewoon sparen omdat de overheid mee betaalt. Daar tegenover stelt de overheid regels waar wij ons met ons pensioen aan moeten houden. De overheid is sponsor van onze pensioenen door middel van de zogenaamde omkeerregel. Als je spaart voor je pensioen verleent de overheid uitstel van belastingbetaling. Het alleen maar uitstellen van belastingbetaling levert echter geen voordeel op. Het is dus niet altijd verstandig om pensioen te sparen.

    Aan de hand van een kort rekenvoorbeeld zal ik dat toelichten.

    Iemand betaalt een premie van € 1.500,-. Met zijn inkomen valt hij in het belastingtarief van 42%. Het rendement dat hij kan behalen is 4% en hij zet het geld 20 jaar weg.

    Als iemand gewoon gaat sparen (dus geen pensioen) zal de netto inleg € 870,- bedragen. Er dient over de inleg immers 42% belasting te worden betaald. Deze € 870,- zal worden belegd gedurende 20 jaar tegen 4%. De opbrengst is dan € 1.906,28. Over deze eindopbrengst hoeft geen belasting meer te worden betaald.

    Als iemand pensioen gaat sparen, krijgt hij uitstel van belasting door middel van de omkeerregel. Dan zal de netto inleg € 1.500,- bedragen. Over de premie hoeft geen belasting te worden betaald. Deze € 1.500,- zal belegd worden gedurende 20 jaar tegen 4% en resulteert in een opbrengst van € 3.286,68. Over deze opbrengst dient 42% belasting te worden betaald. Na aftrek van de verschuldigde belasting resteert een bedrag van € 1.906,28.

    Uit bovenstaand voorbeeld blijkt duidelijk dat het alleen maar uitstellen van belasting geen enkel voordeel oplevert. Het wordt pas interessant als je uiteindelijk door uitstel een lager belastingtarief hoeft te betalen.

    Het belastingtarief in Nederland is gebaseerd op het progressieve schijventarief en kent een lager tarief voor 65-plussers. Zij betalen geen premies volksverzekeringen voor de AOW en hebben daardoor een lagere belastingdruk in de eerste twee schijven. De hoogste twee schijven zijn gelijk aan die van jongere belastingplichtigen.

    Kijkend naar het belastingtarief zal de pensioenpremie een hoge belastingbesparing opleveren vanwege het progressieve schijventarief, inclusief premies volksverzekeringen voor de AOW. De uitkering (het belastingnadeel) zal naar verwachting tegen een lager tarief, mogelijk in een lagere schijf, exclusief premies volksverzekeringen voor de AOW worden belast. Daarnaast telt het pensioen niet mee voor de heffing in box 3 van de inkomstenbelasting.

    In veel gevallen resulteert het gebruik maken van de omkeerregel in een belastingvoordeel. Er zijn echter situaties denkbaar waarin de omkeerregel nadelig kan uitpakken. Denk daarbij met name aan mensen met hoge inkomens, waarbij het fiscale inkomen nu verlaagd wordt door bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek, maar de pensioenopbouw over het volledige inkomen wordt genoten. In die situatie kan het zijn dat het voordeel van de omkeerregel, de premieaftrek, tegen 42% plaats vindt, terwijl de uitkering straks tegen 52% is belast. Dan levert pensioen uitsluitend een nadeel op en een hoop regels waar je rekening mee moet houden.

    AOW-franchise en middelloon (vervolg)

    In een eerder artikel ben ik ingegaan op de te hanteren AOW-franchise bij een middelloonregeling. Ik heb van een aantal lezers aanvullende vragen gekregen over dit artikel. De vragen gaan over de franchise die moet worden gebruikt bij een lager opbouwpercentage. In artikel 10aa Uitvoeringsbesluit Wet LB zijn immers lagere franchises opgenomen bij lagere opbouwpercentages. Een van deze franchises is echter hoger dan de door mij berekende minimale franchise. Hoe zit dat? In dit artikel een toelichting.

    Bij de berekening van het pensioen dient rekening te worden gehouden met de AOW-uitkering. In de praktijk gebeurt dit door te rekenen met een AOW-franchise. De minimale franchise die dient te worden gehanteerd is 10/7 maal de zelfstandige AOW (€ 12.209,- in 2008). Ik denk dat de minimale franchise voor middelloon € 10.852,- is. De factor 10/7 maal de AOW kan dan ook worden vervangen door 80/63 maal de AOW.

    In artikel 10aa UBLB wordt aangegeven dat bij een opbouwpercentage van maximaal 2,15% per dienstjaar een franchise mag worden gehanteerd van € 11.172,- en bij een opbouwpercentage van maximaal € 2,05% een franchise van € 10.097,-.

    Feitelijk zouden deze franchises ook moeten worden verlaagd met de factor 2/2,25. Ik adviseer echter met klem om dat niet te doen. In mijn vorige artikel heb ik aangetoond waarom je kan afwijken van de in de praktijk gangbare franchise van €12.209,-. Deze mogelijkheden zijn gebaseerd op de systematiek in de wet.

    Artikel 10aa UBLB bevat echter geen beschrijving van een systematiek, maar noemt bedragen in nominale euro’s. Er is dan ook geen aanleiding in de wet om die bedragen te verlagen.

    Dat deze bedragen echter niet kloppen en gecorrigeerd zouden moeten worden, onderschrijf ik echter volledig. Het is dan ook aan de politiek om hier iets aan te doen.

     
    Feedback Form