Rechtbank Rotterdam buigt zich over vrijstelling voor deelname aan StiPP

In 2011 is de werkgever aangeschreven door StiPP, dat sprake zou zijn van een verplichte aansluiting. Werkgever heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet onder de werkingssfeer valt. Omdat StiPP haar standpunt handhaafde dat sprake was van een aansluitverplichting heeft de werkgever in maart 2012 een verzoek tot vrijstelling ingediend op grond van een tijdige eigen regeling. Bij besluit is dit verzoek door StiPP afgewezen. Ook na bezwaar heeft StiPP haar weigering tot het verlenen van een vrijstelling gehandhaafd. Om die reden heeft de werkgever beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam.

Dit beroep is in november 2013 door de Rechtbank ter zitting behandeld. Daar heeft de werkgever primair betoogd dat zij niet onder de werkingssfeer van StiPP valt. Een geschil over een aansluitverplichting moeten worden voorgelegd aan de Kantonrechter, op grond van artikel 25 Wet Bpf 2000. Op de betreffende zitting is gesproken over een eventuele aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van een procedure bij de Kantonrechter. Werkgever heeft toen aangegeven hiertoe over te gaan en graag deze uitkomst af te willen wachten. Rechtbank heeft toen besloten de kwestie aan te houden.

Werkgever had tevens een verzoek tot vrijstelling op grond van artikel 6 Vrijstellingsbesluit en ook dit verzoek is in eerste instantie en na bezwaar niet toegewezen door StiPP. Ook dit beroep is aangehouden in afwachting van het oordeel van de Kantonrechter.

De Rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis d.d. 23 februari 2015 geoordeeld dat géén sprake is van een aansluitverplichting voor de werkgever bij StiPP. In de lopende beroepsprocedures heeft de Rechtbank Rotterdam partijen gevraagd wat hun zienswijze is met betrekking tot de betekenis van het vonnis en de consequenties hiervan voor het beroep. Partijen hebben de Rechtbank toen verzocht om de kwesties aan te houden tot er arrest is gewezen door Gerechtshof Amsterdam, in het hoger beroep dat door StiPP is ingesteld.

Rechtbank Rotterdam ziet echter geen aanleiding om dit verzoek te honoreren en doet uitspraak in het beroep, nu partijen hadden afgesproken de uitspraak van de Kantonrechter af te wachten. Deze uitspraak houdt in dat nu de Kantonrechter geoordeeld heeft dat er geen sprake is van een aansluitverplichting bij StiPP voor de werkgever, de werkgever geen belang heeft bij de door haar verzochte vrijstelling én dat StiPP niet bevoegd is om nu een vrijstelling te verlenen. Er volgt derhalve geen inhoudelijke beoordeling van het beroep. De kans dat het oordeel van de Kantonrechter in hoger beroep geen stand houdt, maakt dat niet anders, volgens de Rechtbank.

Dit oordeel van de Rechtbank wijkt af van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin in een vergelijkbare situatie het verzoek tot vrijstelling is beoordeeld als een voorwaardelijk verzoek tot vrijstelling. Rechtbank Rotterdam is van mening dat dit een doorkruising van de door de wetgever gemaakte bevoegdheidsverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter. De Rechtbank voegt er nog aan toe, dat als uiteindelijk zou blijken dat de werkgever toch verplicht moet deelnemen aan StiPP dan opnieuw een verzoek tot vrijstelling ingediend kan worden, dan wel te verzoeken terug te komen op de afwijzing van het verzoek om vrijstelling. In dat geval staat het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet twee keer aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg.

De Rechtbank vergeet naar mijn mening hier echter dat veel pensioenfondsen zich op het standpunt stellen dat een vrijstelling met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Mocht er alsnog sprake zijn van een aansluitverplichting voor de werkgever, dan is het maar de vraag of dit tot een vrijstelling zal leiden. De werkgever was beter af geweest met een voorwaardelijke vrijstelling, zoals het College van beroep voor het bedrijfsleven heeft gedaan.
Rechtbank Rotterdam, 15 oktober 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:7275

Reageer