Q&A’s DNB over kostenvoorzieningen pensioenfondsen

DNB heeft een aantal Q&A’s over het treffen van een kostenvoorziening (als onderdeel van de technische voorzieningen) voor pensioenfondsen op haar website geplaatst. De wijze waarop pensioenfondsen de kostenvoorziening vaststellen, vertoont onderlinge verschillen, zo blijkt uit onderzoek van DNB. Met deze Q&A’s wil DNB duidelijkheid geven over haar toetsing van de wijze waarop de kostenvoorziening wordt vastgesteld. Overigens zal DNB de Q&A’s nog niet gebruiken bij de beoordeling van het jaarwerk 2013.

Pensioenfondsen moeten de technische voorzieningen vaststellen op basis van de kasstromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenverplichtingen (artikel 126 Pensioenwet en de daarbij behorende regels in het Besluit FTK). Het treffen van een voorziening voor toekomstige (kasstromen die voortvloeien uit) kosten voor administratie, communicatie en het doen van uitkeringen is daar onderdeel van. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook bij discontinuïteit van de onderneming(en) het pensioenfonds de uitvoeringskosten moet kunnen dragen.

De vragen waarop in de Q&A’s antwoord wordt gegeven, zijn:

Moet een pensioenfonds als onderdeel van de technische voorzieningen altijd een voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten aanhouden?
Voor welke uitvoeringskosten moet een pensioenfonds een voorziening aanhouden?
Op welke wijze berekent het pensioenfonds de voorziening voor uitvoeringskosten?
Moet een pensioenfonds bij de vaststelling van de voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten ervan uitgaan dat het te allen tijde zelf alle pensioenverplichtingen afwikkelt, en dus blijft bestaan tot de laatste (gewezen) deelnemer uiteindelijk overleden is?

Reageer