Prudent person regel pensioenfondsen binnen nieuw FTK

De Nederlandsche Bank (“DNB”) heeft in recente webpublicatie aandacht besteed aan de “prudent person regel” binnen het gewijzigde “financieel toetsingskader”. Als gevolg van dit wetgevingstraject is onder andere ook de prudent person regel verduidelijkt. In lagere regelgeving is verduidelijkt wat van pensioenfondsen wordt verwacht. Samengevat gaat het hierbij om het volgende.

1. Governance-eisen waaronder organisatiestructuur
Van een pensioenfonds mag worden verwacht dat het een passende en heldere organisatiestructuur heeft voor het vaststellen en uitvoeren van het beleggingsbeleid welke een zorgvuldig en transparant besluitvormingsproces waarborgt. Het risicobeheer moet onafhankelijk van de vermogensbeheerder zijn vormgegeven, in die zin dat het pensioenfondsbestuur in staat is om zelfstandig een oordeel te vormen over de materiele risico’s. Daarnaast moet er een balans bestaan tussen de aard, omvang en complexiteit van de beleggingsportefeuille enerzijds en de aanwezige kennis, ervaring, en het risicobeheer anderzijds.

2. Onderbouwing en vastlegging van het beleggingsbeleid
Pensioenfondsen moeten kunnen onderbouwen dat het beleggingsbeleid past binnen het prudent person beginsel. Daarom wordt in lagere regelgeving aan pensioenfondsen gevraagd om bepaalde uitgangspunten van de prudent person regel zelf te onderbouwen en een kwantitatieve invulling te geven. Pensioenen kunnen hiervoor gedeeltelijk steunen op kwantitatieve analyses, zoals bijvoorbeeld een ALM-studie. Het is belangrijk dat fondsen het beleggingsbeleid in detail vastleggen en aantonen dat dit beleid past bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het fonds. Daaronder valt ook de risicohouding. Op deze manier wordt volgens DNB bevorderd dat pensioenfondsen het beleggingsbeleid en risicobeheer weloverwogen inrichten.

3. Uitbesteding van vermogensbeheer
De opdracht die een pensioenfonds aan een vermogensbeheerder geeft, het beleggingsmandaat, moet aansluiten op het strategische beleggingsbeleid en het beleggingsplan van het pensioenfonds. Dit is om te voorkomen dat de uitvoering die de vermogensbeheerder aan zijn mandaat geeft, gepaard gaat met risico’s die het fonds niet heeft beoogd of voorzien. Dit vereist in de eerste plaats dat een pensioenfonds zijn eigen strategische beleggingsbeleid en beleggingsplan voldoende uitwerkt. Daarnaast is er een sluitende set afspraken en richtlijnen nodig tussen het pensioenfonds en de vermogensbeheerder om de opdracht te begrenzen in aansluiting op het vastgestelde beleid Ook wordt aan pensioenfondsen gevraagd om vooraf een concrete selectie- en evaluatieprocedure vast te leggen voor externe vermogensbeheerders met concrete prestatie-indicatoren.

Reageer