Premievrije voortzetting van de opbouw van ouderdomspensioen is een gelijkwaardige voorziening aan de transitievergoeding

Transitievergoeding
Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid is de werkgever op grond van artikel 7:673 lid 1 BW aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. De hoogte van de transitievergoeding wordt bepaald aan de hand van het salaris en het aantal dienstjaren en kan maximaal € 77.000 bruto (2017) of één jaarsalaris bij een hoger inkomen dan
€ 77.000 bruto bedragen.

In de kwestie bij de rechtbank Noord-Nederland van 4 januari 2017 kreeg een arbeidsongeschikte werknemer die ten minste 24 maanden in dienst is geweest en waarvan de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV door de werkgever werd beëindigd, géén transitievergoeding. De werkgever beriep zich op artikel 7:673b lid 1 BW en werd door de kantonrechter in het gelijk gesteld. Wat was er in die zaak aan hand?

Rechtbank Noord-Holland, 4 januari 2017
Een werkneemster is in 2013 arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 5 juni 2015 ontvangt zij een IVA-uitkering. Haar werkgever, ING, heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2016 opgezegd, op grond van volledige arbeidsongeschiktheid die langer dan 104 weken heeft geduurd. Daarbij is geen transitievergoeding aan werkneemster betaald, omdat op grond van de CAO aan haar al een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening toekomt. Aan werkneemster is wel premievrije voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen wegens arbeidsongeschiktheid (pvi) verleend.

Werkneemster vordert in de procedure alsnog betaling van een transitievergoeding van bijna € 25.000,–. 

Op grond van artikel 7:673b lid 1 BW is artikel 7:637 BW niet van toepassing is, indien in een collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan voor werknemers als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 BW een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. De werkgever stelt dat hier sprake van is en verwijst naar de CAO. Daarin is bepaald dat als het dienstverband wordt beëindigd vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, de werknemer op grond van de reglementen van de Basispensioenregeling in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en pvi. Daarbij is in de CAO aangegeven dat deze aanspraken, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, worden aangemerkt als een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 673b BW. Dat betekent dat wanneer deze regeling voor de werknemer geldt, deze niet ook nog een transitievergoeding ontvangt.

De vraag die voorligt is of de in de CAO opgenomen regeling kwalificeert als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige regeling?

Oordeel
Volgens de kantonrechter blijkt uit de wetsgeschiedenis dat er bij een gelijkwaardige voorziening sprake moet zijn van een voorziening in geld en/of natura die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat een belangrijke aanwijzing of er al dan niet sprake is van een gelijkwaardige voorziening in de bewoordingen ligt van de betreffende bepaling in de CAO. In het onderhavige geval staat in de CAO dat de voorziening, ook als het arbeidsongeschiktheidspensioen niet tot uitkering komt, moet worden aangemerkt als een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening. Verder hoeft volgens de kantonrechter niet te worden gekeken naar het (eerste) moment van uitkering van deze vergoeding zoals werkneemster stelt, (hetgeen pas het geval zal zijn op of na de 67-jarig leeftijd van de werkneemster), maar naar het financiële voordeel dat de premievrijstelling voor de werknemer oplevert. Volgens de kantonrechter is in de wet geen aanknopingspunt te vinden dat de werknemer direct moet kunnen genieten van de voorziening. Daar komt bij dat de werkgever de opbouw van het pensioen betaalt en dit de werknemer maandelijks een besparing oplevert. De kantonrechter oordeelt dan ook dat de voorziening zoals opgenomen in de CAO collectief gelijkwaardig is. De wet dwingt er volgens de kantonrechter niet toe dat wordt bekeken hoe een dergelijke voorziening achteraf individueel uitwerkt. ECLI:NL:RBNNE:2017:884

 

Reageer