Premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid is toch geen gelijkwaardige voorziening voor de transitievergoeding.

In de kwestie waarover Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich op 18 december 2017 (en bij tussenvonnis op 30 oktober 2017) heeft uitgelaten, moest beoordeeld worden of premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid een gelijkwaardige voorziening is in het kader van de transitievergoeding. Rechtbank Noord-Nederland oordeelde reeds op 4 januari 2017 over deze kwestie (ECLI:NL:RBNNE:2017:884, zie artikel Maaike Theunis d.d. 1 juni 2017).

Wat was er aan de hand? Een medewerkster is in dienst bij ING. Op deze arbeidsovereenkomst is een (standaard) cao van toepassing. De werkneemster was geen lid van de werknemersorganisaties die de cao met ING hebben afgesloten. De werkneemster raakt op 20 november 2013 arbeidsongeschikt. Met ingang van 5 juni 2015 ontvangt zij een IVA-uitkering (na een verkorte wachttijd). Op 17 maart 2016 verleent het UWV aan ING een vergunning, waarna de arbeidsovereenkomst is opgezegd met ingang van 1 augustus 2016. ING betaalt de werkneemster geen transitievergoeding.

De werkneemster is van mening dat zij recht heeft op een transitievergoeding. Zij baseert zich hierbij op artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a sub 1 BW. In deze bepaling is opgenomen dat een werkgever een transitievergoeding verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd.

ING is van mening dat de werkneemster geen recht op een transitievergoeding heeft en baseert zich hierbij op artikel 7:673b lid 1 BW. Hierin is opgenomen dat de bepalingen omtrent de transitievergoeding niet van toepassing zijn, als bij cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. ING is van mening dat de bepalingen zoals opgenomen in het artikel 6.4 en bijlage 6 van de toepasselijke cao een dergelijke gelijkwaardige voorziening bevatten. In deze bepalingen is geregeld dat bij volledige arbeidsongeschiktheid recht bestaat op premievrije voortzetting van de pensioenregeling.

De kantonrechter heeft in eerste instantie geoordeeld dat inderdaad sprake was van een gelijkwaardige voorziening. Hierbij heeft de kantonrechter als argumenten aangehaald dat in de cao is opgenomen dat sprake is van een gelijkwaardige voorziening, dat bij de vraag of sprake is van een gelijkwaardige voorziening gekeken moet worden naar het financiële voordeel en niet naar het moment van uitkeren, de premievrije voortzetting de werkneemster een maandelijkse besparing oplevert en de voorziening collectief gelijkwaardig is.

Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat de betreffende regeling ook in de cao was opgenomen, vóór de invoering van de transitievergoeding. ING heeft hierop aangegeven dat geen sprake hoeft te zijn van een nieuwe voorziening en dat de cao-partijen hebben geoordeeld dát sprake is van een gelijkwaardige voorziening. Het Gerechtshof volgt ING hierin niet. Nu ruim vóór de invoering van de transitievergoeding reeds de voorziening van premievrije voortzetting bestond, kan géén sprake zijn van een gelijkwaardige vervangende voorziening, aangezien de transitievergoeding toen nog niet bestond. Daarmee kan de premievrije voortzetting niet het equivalent vormen van de transitievergoeding en kan de onderhavige regeling om die reden niet bestempeld worden als een gelijkwaardige voorziening ter vervanging van de transitievergoeding. ING wordt dan ook veroordeeld om alsnog de transitievergoeding aan de werkneemster uit te betalen. Gerechtshof Arnhem–Leeuwarden, 18 december 2017,ECLI:NL:GHARL:2017:11133.

Reageer