Premieplicht in Nederland omdat E101 verklaring niet is afgegeven o.g.v. Rijnvarendenverdrag

A, Nederlands ingezetene, vaart in 2006 als kapitein op een binnenvaartschip. Hij is in dienst van een Luxemburgse werkgever. In 1999 is aan de Nederlandse eigenaar van het schip een Rijnvaartverklaring gegeven, waarop geen exploitant van het schip is vermeld. Op 24 maart 2006 is door de Luxemburgse autoriteiten een E101 verklaring afgegeven. De vraag is of A, Rijnvarende, verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het Hof is van oordeel dat de Belastingdienst bevoegd is om premie volksverzekeringen te heffen. Daaraan doet niet af dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voor Nederland bevoegde autoriteit is om op grond van art. 13 Verdrag Rijnvarenden een zogenaamde regularisatieprocedure te starten. Verder is het Hof van oordeel dat aan de door Luxemburg afgegeven E101 verklaring voor A als Rijnvarende geen bindende werking ten opzichte van de organen van andere lidstaten toekomt. A heeft niet aannemelijk gemaakt dat het E101 formulier is afgegeven op grond van het Verdrag Rijnvarenden. Dat op grond van besluit nr. 4 van het Administratief Centrum voor de Sociale Zekerheid voor de Rijnvarenden, verdragsstaten bij het Verdrag Rijnvarenden, die tevens lid zijn van de EU, in het kader van het Verdrag Rijnvarenden de formulieren van de EU gebruiken in hun onderlinge verhouding, doet daaraan niet af. Het Hof honoreert het beroep van A op het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet. Het Hof acht A is verplicht verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het Hof kent wegens de overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding aan A toe (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, nr. 13/00694).

 

Reageer