Prejudiciële vraag over toepassing algemene heffingskorting

X heeft de Poolse nationaliteit. Zij heeft van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2013 in Nederland tegen betaling arbeid verricht. Daarna is X teruggekeerd naar Polen, waar zij in het jaar 2013 geen betaalde arbeid heeft verricht. X was in de periode van 1 januari tot en met 21 juni 2013 in Nederland verplicht verzekerd voor de volksverzekeringen. X heeft krachtens artikel 2.5 Wet IB 2001 gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 heeft de Belastingdienst op grond van artikel 2.6a Regeling Wfsv het premiedeel van de algemene heffingskorting tijdsevenredig verminderd naar rato van de periode van premieplicht in 2013. Voor Hof Den Bosch was in geschil of artikel 2.6a Regeling Wfsv in het onderhavige geval in strijd is met de Europese verdragsvrijheden. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het beroep van X op de Schumacker-rechtspraak faalt volgens het Hof. Artikel 2.6a Regeling Wfsv kan, aldus het Hof onder verwijzing naar het arrest Blanckaert van het HvJ van 8 september 2005 (C-512/03, ECLI:EU:C:2005:516), in het onderhavige geval zijn rechtvaardiging vinden in het objectieve verschil tussen de situatie van een verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen en die van degene die niet krachtens dat stelsel is verzekerd.
X heeft cassatieberoep ingesteld. Zij betoogt dat artikel 2.6a Regeling Wfsv leidt tot een verschil in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen en dat dit een belemmering vormt van het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 45 VWEU. De vraag is of het recht van de Europese Unie meebrengt dat een werknemer die niet (langer) in de werkstaat (Nederland) verblijft maar zijn gehele inkomen in die werkstaat heeft verworven, aanspraak heeft op het volledige premiedeel van de heffingskorting hoewel die werknemer gedurende een deel van dat jaar niet verzekerd was voor de volksverzekeringen en dus evenmin gedurende dat deel van het jaar premieplichtig was. Het arrest Blanckaert lijkt volgens de Hoge Raad tot de conclusie te leiden dat de klacht moet worden verworpen. De Hoge Raad is hierover echter niet zeker en heeft over deze kwestie een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. De zaak is aangehouden. Conform conclusie A-G Wattel.

Reageer