Pensioentoezegging door Japanse werkgever. Nederlandse rechter bevoegd?

Rechtbank Gelderland heeft zich over deze vraag gebogen (vonnis in het incident 25-10-2016, ECLI:NL:RBGEL:2015:7708).

In de hoofdzaak vordert eiser nakoming van de pensioentoezegging van zijn voormalig werkgever Teijin, zijnde een Japanse vennootschap. Partijen hebben in 2000 afspraken vastgelegd in het Outlines of Management Trust Contract” (OMTC). Hierin is het volgende vastgelegd: Trustee had the privilege of joining with the Pension System at Teijin Holland Entity (now under being programmed to be established in April, 2001. Eiser stelt dat op grond van deze OMTC op Teijin de verplichting rust om eiser toe te laten tot het pensioenfonds in Nederland, dat echter nog niet bestaat maar in oprichting is. Nu Teijin deze verplichting niet is nagekomen en het ook niet meer mogelijk is omdat eiser inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt is er sprake van wanprestatie en vordert eiser een schadevergoeding.

Incident
Teijin werpt voor alle weren het incident van onbevoegdheid op en stelt dat de vorderingen van eiser in feite gelijk zijn aan (een deel van) zijn vorderingen in de procedure die tot het vonnis van de kantonrechter Arnhem van 7 februari 2011 en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2014 hebben geleid en waarin de rechter zich telkens onbevoegd heeft verklaard van die vorderingen kennis te nemen. Tegen het arrest is echter geen cassatieberoep ingesteld. Het arrest heeft, volgens Teijin, tussen partijen gezag van gewijsde en verwijst hierbij naar artikel 236 lid 1 RV. Om die reden zou de rechtbank zich onbevoegd dienen te verklaren.

Artikel 236 lid1 RV De rechtbank oordeelt dat ingevolge artikel 236 lid 1 Rv beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. De ratio van artikel 236 Rv is dat het ongewenst is dat een eenmaal beslecht geschilpunt in een volgende procedure opnieuw ter discussie wordt gesteld. Met ‘de rechtsbetrekking in geschil’ wordt volgens de rechtbank gedoeld op het geschilpunt, de rechtsvraag die partijen verdeeld houdt.

Aan het genoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt naar het oordeel van de rechtbank geen gezag van gewijsde toe, nu het gerechtshof de gestelde grondslag van de vorderingen van eiser in zijn arrest niet inhoudelijk heeft onderzocht en dientengevolge over de ‘rechtsbetrekking in geschil’ in de zin van artikel 236 lid 1 Rv ook geen inhoudelijke beslissing heeft gegeven. Het gerechtshof heeft immers alleen een beslissing genomen over zijn rechtsmacht/bevoegdheid. De bevoegdheidskwestie kan dan ook in dit verband, ook ten aanzien van hetzelfde geschil, volgens de rechtbank niet worden gezien als de ‘rechtsbetrekking in geschil’.

Teijin beroept zich ook nog op artikel 6 sub a RV. Niet in geschil is dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan de hoofdregel van artikel 2 Rv, nu Teijin niet in Nederland is gevestigd. Onderzocht moet daarom worden of de rechtbank haar bevoegdheid kan ontlenen aan de aanvullende grond van artikel 6 sub a RV.

Artikel 6 sub a RV Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst heeft, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Met ‘de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt’ doelt de wetgever op de litigieuze verbintenis.

De nakoming van deze verbintenis was echter onmogelijk. Uit de stukken kan namelijk worden afgeleid dat het (uiteindelijk opgerichte) Nederlandse pensioenfonds van Teijin in strijd met haar statutaire doelstelling zou handelen, indien eiser bij het pensioenfonds zou worden aangesloten. Het pensioenfonds mocht slechts uitvoering geven aan pensioenovereenkomsten die waren gesloten door een bij haar aangesloten onderneming. Teijin was niet zo een onderneming. De litigieuze verbintenis kan volgens de rechtbank dan ook niet als aanknopingsfactor dienen voor het aannemen van rechtsmacht op grond van artikel 6 sub a RV.

De rechtbank overweegt verder dat het OMTC op 29 december 2000 tussen partijen is gesloten. Dit betekent dat het toepasselijke recht niet aan de hand van Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) moet worden bepaald, maar aan de hand van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980 (hierna: het EVO-Verdrag).

Volgens dit verdrag is primair bepalend het door partijen gekozen recht (artikel 3 EVO-Verdrag), bij gebreke waarvan – zoals in het onderhavige geval – het recht toepasselijk is van het land waarmee zij het nauwst is verbonden (artikel 4 lid 1 EVO-Verdrag). Dat is Japan. Dit blijkt onder andere uit de volgende feiten. Teijin is gevestigd in Japan, alwaar de werkzaamheden door eiser zijn uitgevoerd en hij werd betaald in Japanse Yen. Daar komt bij dat het OMCT niet in de Nederlandse taal is opgesteld. Het enkele feit dat eiser ten tijde van het sluiten van het OMTC in Nederland woonachtig was, is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat op grond van het toepasselijke Japanse recht de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis, voor zover die plaats zou kunnen worden bepaald, in Japan is gelegen en niet in Nederland, ook al ziet de litigieuze verbintenis op de afspraak uit het OMTC dat Teijin zou bewerkstelligen dat het pensioen zou worden ondergebracht bij het op dat moment nog niet bestaande maar in oprichting zijnde pensioenfonds van Teijin in Nederland.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 6 sub a Rv. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren.

Proceskosten
Ten aanzien van de proceskosten vordert Teijin vergoeding van de volledige kosten, begroot op € 18.728,33. De rechtbank overweegt dat zelfs na de uitvoerige incidentele conclusie van Teijin, eiser in zijn incidentele conclusie van antwoord in feite niet meer gesteld dan dat in confesso is dat de kenmerkende prestatie onder het OMTC door eiser diende te worden geleverd en dat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, aansluiting en stortingen bij het pensioenfonds, in Nederland diende plaats te vinden. Dat is gelet op het gemotiveerde verweer van Teijin onvoldoende en in ieder geval niets nieuws.

Waarbij uiteraard als eerste bepaald dient te worden of de Nederlandse rechter bevoegd is. Onder de geschetste omstandigheden is er in feite sprake van een herhaling van zetten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn vorderingen gebaseerd op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen zouden hebben. De rechtbank veroordeelt eiser dan ook tot vergoeding van de volledige proceskosten.

Conclusie
Eiser heeft gegokt en verloren. De kwestie wordt (wederom) inhoudelijk niet beoordeeld en als de in het ongelijk gestelde partij ook nog veroordeeld tot betaling tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. In dit geval is het niet de aanhouder die wint. https://advocaat.balieplus.nl

Reageer