Pensioenfonds aansprakelijk voor tekortkoming in de informatievoorziening

Een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer bouwde pensioenaanspraken op bij de Pensioenfonds PWRI. Dat betrof ook aanspraken voor vroegpensioen (de zogenaamde VOP-regeling). De werknemer vraagt het Pensioenfonds een berekening van de hoogte van zijn VOP-uitkering te verstrekken, indien hij met 61-jarige leeftijd met pensioen zou gaan. Bij zijn verzoek heeft hij uitdrukkelijk vermeld dat hij overwoog vervroegd met pensioen te gaan, zijn verzoek daarmee verband hield én dat hij naast loon ook een WAO-uitkering ontving. PWRI heeft de berekening verstrekt, maar daarbij aangegeven geen rekening te hebben gehouden met zijn WAO-uitkering. Vervolgens heeft de werknemer van PWRI een nieuwsbrief ontvangen waarin staat aangegeven, dat bij doorwerken tot een datum tussen de 61,5-jarige en 62-jarige leeftijd, een VOP-uitkering wordt genoten van 100% van het laatgenoten salaris. De werknemer heeft vervolgens op de leeftijd van 61 jaar en 9 maanden de VOP-uitkering aangevraagd. Hoewel de werknemer langer heeft doorgewerkt valt de uitkering vanwege het in mindering brengen van de WAO-uitkering lager uit, dan de opgave van 2006 en krijgt hij minder dan 100% van zijn laatstgenoten salaris. De werknemer eist een schadevergoeding. PWRI is van mening dat de berekening vermeld dat er geen rekening gehouden is met de WAO-uitkering en de werknemer aan de nieuwsbrief geen rechten kon ontlenen. De kantonrechter stelt de werknemer in het gelijk en wijst de schadevergoeding toe. Het Hof oordeelt dat de rechtsbetrekking tussen PWRI en de werknemer naast het pensioenreglement en pensioenregelgeving, ook wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Die brengen volgens het Hof mee dat PWRI in haar berekening de WAO-uitkering had moeten betrekken. Van belang is volgens het Hof dat de werknemer het een en ander uitdrukkelijk heeft aangegeven en de werknemer bij behoorlijke voorlichting anders zou hebben besloten. Onder deze omstandigheden kon PWRI volgens het Hof niet volstaan, met de vermelding dat in de berekening  geen rekening was gehouden met de WAO-uitkering. Dit geldt volgens het Hof ook voor de nieuwsbrief, temeer nu bij PWRI een derde van de deelnemers een WAO- of WIA-uitkering ontvangt en de nieuwsbrief geen enkel voorbehoud bevatte met betrekking tot een mogelijke mindering van de VOP-uitkering vanwege een WAO- of WIA-uitkering. Het Hof komt tot de conclusie dat de werknemer, gezien de berekening en de nieuwsbrief, ervan mocht uitgaan dat zijn WAO-uitkering niet in mindering werd gebracht op zijn VOP-uitkering en bekrachtigd het vonnis van de rechtbank.

Reageer