Pensioen universiteitsmedewerker in Thailand belast in Nederland

Voorkoming van dubbele belastingheffing bij pensioenuitkeringen

Hoe zit het ook al weer met de belastingheffing over pensioenuitkeringen als de gepensioneerde in het buitenland woont?

Nederland heeft met veel landen een verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing gesloten. De meeste van deze verdragen wijzen het heffingsrecht over pensioenuitkeringen toe aan de woonstaat van de pensioengerechtigde[1]. Dit geldt voor pensioen dat is opgebouwd in de particuliere sector. Voor pensioenuitkeringen die zijn opgebouwd in publiekrechtelijke dienstbetrekkingen wijzen de belastingverdragen het heffingsrecht toe aan de staat die deze pensioenen uitbetaalt. Dus wanneer een gepensioneerde zijn werkzame leven voor de overheid werkte en buiten Nederland zijn pensioen geniet, zal Nederland belasting heffen over de uitkeringen.

Uitspraak Hoge Raad

Een medewerker van een universiteit ging in oktober 2002 met vervroegd pensioen. Hij ontving vanaf dat moment een zogenoemd FPU-pensioen. Hij woonde al vanaf december 2000 in Thailand.

De medewerker van de universiteit stelt zich op het standpunt dat zijn dienstbetrekking als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet op het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) niet meer kan worden beschouwd als een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Nederland mag volgens hem de FPU niet belasten omdat de aanspraak op die uitkeringen niet is verkregen in de uitoefening van een overheidsfunctie als bedoeld in artikel 19 van het Verdrag. Hof Den Bosch wees zijn standpunt af. Volgens het Hof is hij ook na de inwerkingtreding van de WHW in overheidsdienst werkzaam geweest. Zijn aanspraak op FPU-uitkeringen is dus opgebouwd in overheidsdienst en is Nederland bevoegd de FPU-uitkeringen te belasten.

De medewerker was het niet eens met de uitspraak van het Hof en ging in cassatie. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de medewerker tegen de Hof-uitspraak ongegrond. De Hoge Raad oordeelt dat de dienstbetrekking ook na de inwerkingtreding van de WHW haar publiekrechtelijke karakter heeft behouden. Daarmee moet zijn functie bij de universiteit ook na de inwerkingtreding van de WHW worden aangemerkt als een overheidsfunctie in de zin van artikel 19 van het Verdrag.

Conclusie

Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal[2] bij de Hoge Raad (PG) concluderen wij dat deze medewerker werkte voor een Rijksuniversiteit. Wanneer hij gewerkt had voor een bijzondere universiteit (bijvoorbeeld de Vrije Universiteit Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen of Universiteit van Tilburg) had de Hoge Raad hem mogelijk wel in het gelijk gesteld. De PG wees in zijn conclusie erop dat voor medewerkers van die bijzondere universiteiten andere regels gelden. Hun medewerkers zijn niet ambtenaar. Hierdoor geldt voor hen het “overheidsartikel” in de belastingverdragen niet en heeft de woonstaat het heffingsrecht over pensioenuitkeringen.




[1] In steeds meer nieuwe of herziene belastingverdragen komt overigens een al dan niet gedeeltelijke bronstaatheffing voor. Dat betekent dat Nederland belasting kan heffen over reguliere pensioenuitkeringen wanneer de woonstaat de uitkeringen aan een bijzonder regime onderwerpt (bijvoorbeeld niet of erg beperkt belast).

[2] Een advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad adviseert de Hoge Raad. Hij brengt onafhankelijk advies uit over lopende procedures. Dit advies wordt “conclusie” genoemd. Uitspraken van de Hoge Raad gaan doorgaans vergezeld van de conclusie van de A-G. De Hoge Raad volgt dit advies, of wijkt ervan af als hij een andere mening heeft.

Reageer