Ophoging van de AOW-leeftijd niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en internationale bepalingen

Een man geboren op 11 december 1948 ontvangt met ingang van 11 februari 2014 (65 jaar en 2 maanden) een AOW-pensioen. De man stelt echter dat hij vanaf 11 januari 2014 recht heeft op een AOW-pensioen. Hij voert daartoe aan dat de ophoging van de pensioendatum niet berust op een wettelijke grondslag en het onderscheid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Voor mensen geboren in de maand november 1948 geldt namelijk een AOW-leeftijd van 65 jaar en één maand.

De rechtbank overweegt dat de ophoging van de pensioenleeftijd berust op artikel 7a, lid 1, aanhef en onder c, van de AOW, waarin is bepaald dat de pensioengerechtigde leeftijd in 2014 65 jaar en 2 maanden is. Verder is van belang dat de wetgever het om redenen van betaalbaarheid wenselijk heeft geacht de AOW-leeftijd met ingang van 2013 stapsgewijs te verhogen. Dergelijke wetgeving mag gezien de uitspraak van de CRvB van 12 december 2003 niet al te snel als discriminerend worden aangemerkt. De wetgever acht de ophoging van de AOW-leeftijd met ingang van 2013 rechtvaardig, teneinde te voorkomen dat de oplopende rekening van de AOW geheel wordt doorgeschoven naar de jongere generatie. Daarnaast zijn er door de wetgever voor mensen die weinig voorbereidingsmaatregelen hebben genomen overgangsmaatregelen genomen: een geleidelijke invoering, een voorschotregeling, bijstand en een overgangsregeling voor de partnertoeslag. Tegen deze achtergrond kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat het onderscheid tussen personen die na 1 december 2013 65 jaar zijn geworden en personen die eerder in 2013 65 jaar zijn geworden niet op redelijke en objectieve gronden berust.

De rechtbank gaat ook nog in op Europees recht. In artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM (EP) staat, dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op ongestoord genot van zijn eigendom. Onder het begrip ‘posessions’ in artikel 1 EP vallen volgens de rechtbank ook vermogensbestanddelen met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij tenminste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die aanspraken zullen worden gerealiseerd. De inbreuk op de bestaande aanspraak moet dan wel bij wet zijn voorzien, de eigendomsontneming moet een legitieme doelstelling hebben en er moet een behoorlijk evenwicht zijn tussen de eisen van algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, waarbij aan de Staat een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Aan het proportionaliteitsvereiste wordt niet voldaan als het individu door de inbreuk een onevenredige zware last (‘an individual and excessive burden’) moet dragen. Gezien het doel van de ophoging van de AOW-leeftijd: houdbaarheid van overheidsfinanciën en noodzaak voor een solide stelsel voor toekomstige generaties. Als ook: dat de ophoging van de AOW-leeftijd alle personen geboren ná 30 november 1948 betreft, de wetgever overwogen heeft dat alle generaties aan de AOW een steentje moeten bijdragen en de wetgever overgangsmaatregelen heeft getroffen. Onder deze omstandigheden kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat de onderhavige wetswijziging voor eiser een ‘individual and excessive burden’ is. Er is dan ook géén sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel en voormelde internationale bepalingen.

De onvrede over het verhogen van de AOW-leeftijd is begrijpelijk. De kansen het succesvol aan te vechten zijn echter nihil. Ongetwijfeld zullen nog vele pogingen volgen.

Reageer