ONL.NL: Expertvisie XXII – Theo Gommer – En pensioen is een langzaam vak….

In ieder geval wat de SER betreft. Ook de laatste deadline van 1 april hebben ze niet gehaald. VNO-NCW stelde: ‘Het is een complex vraagstuk, waarbij de kans op indexeren, risico op korten en vergrijzing de revue passeren”. Op de inhoud wilde men niet verder ingaan.

Daar passen maar twee woorden bij: ondeskundig en incapabel. Dit is het namelijk al ‘10 jaar’ (sinds het pensioenakkoord uit 2010). Het is de táák van de SER om te adviseren over complexe vraagstukken toch? Ik schreef al eerder dat de Eerste Kamer moet worden opgedoekt, de SER nu dus ook. Hoe moet het dan wel?

 Het is ‘gewoon’ een kwestie van keuzes maken.

Of we laten het zo als het nu is. Dan blijft het een complex vraagstuk met kans op indexeren, risico op korten en het vraagstuk van de vergrijzing. Volgens sommigen hebben we het (bijna) beste pensioenstelsel ter wereld, dus als dat zo is, dan hoeven we toch niets te doen?

Als je edoch wél iets wilt doen, bijvoorbeeld omdat de arbeidsmarkt verandert, omdat het stelsel veel te complex is, te onzeker voor iedereen – oud én jong -, er (te) veel discussiepunten zijn c.q. in zitten (rekenrente), vormen van solidariteit die we niet moeten willen en het hele stelsel gewoon oud en star is, dan speelt het volgende.

Dit staat overigens ook gewoon in de perspectiefnota van voormalig Stas Klijnsma.

  1. Een pensioen(plicht) voor alle werkenden. Ook ZZP-ers en vooral ook flexwerkers (en alle werkgevers met personeel zonder pensioenregeling).

Keuze: (minimale) pensioenplicht of niet. Al dan niet met opting-out opties voor ZZP-ers.

  1. Afschaffing doorsneepremie en vervangen door een flat rate-premie of toch – beter – een stijgende staffel.

Keuze: doen of niet en kiezen tussen een flat rate-premie of stijgende staffel.

  1. Persoonlijk pensioensparen. Het is mijn uitgestelde loon, dus laat iedereen voor zichzelf sparen. Collectief kan dat gewoon geregeld en beheerd. Zolang ik een werkgever heb draagt hij bij, zodra ik ZZP-er ben doe ik het zelf. Risico’s van kortleven (voor de partner als ik die heb c.q. dat wil), langleven (niet met het hele pensioen) en arbeidsongeschiktheid verzekeren we gewoon collectief. Dat doen we nu ook. 2e en 3e pijler (pensioen en – bancaire – lijfrente dus) kunnen in elkaar worden geschoven. Wel zo makkelijk.
  2. Verdere verpersoonlijking middels individuele en flexibele keuzes. Een lumpsum van b.v. 25% op pensioendatum, aanwending van ‘de helft van mijn opgebouwde spaarpot (uitgaande van sparen voor een ‘volledig en dus heel goed pensioen. Onze norm is 75%, maar de OESO-norm is 45% a 50% voor andere zaken en dan ‘pas pensioen’.

Als ik nog meer heb dan 75% van een ‘volledig’ pensioen op pensioendatum, mag ik ook nog een deel tijdelijk, b.v. in 10 jaar opnemen.

Keuze: keuzes maken, doen of niet of gedeeltelijk.

Het enige échte aandachtspunt is en blijft de transitie naar de toekomstige opbouw. Met een stijgende staffel wordt dit opgelost. Per sector kan dan een vereveningsfonds worden gevormd, dat in 5 of 10 jaar wordt afgebouwd, om werkgevers die een gemiddeld ouder werknemersbestand hebben te compenseren. Als we solidariteit toch zo hoog in het vaandel hebben, moet dit geen probleem zijn.

Iedereen kan zich dan ook voldoende goed voorbereiden op de arbeidskosten van ouderen. Met de krapper wordende arbeidsmarkt komt dit in combinatie met demotie en deeltijdpensioen vanzelf goed.

Ook kan de verplichtstelling dan over 5 of 10 jaar afgeschaft worden. Kunnen alle Bpf-en zich nog lang genoeg voorbereiden op de nieuwe pensioenwereld.

De opgebouwde rechten kunnen verder gewoon op basis van de bestaande dekkingsgraad over naar het nieuwe systeem. Juist nu de pensioenrechten hoog gewaardeerd zijn (tegen een lage rente) is dat voordelig voor de ‘ouderen’. Een soort geluk bij een ongeluk. Waar gewenst, kan er collectief door belegd worden.

Et voilà. We kunnen het wel ingewikkelder maken, maar dit is het. Hier en daar nog wat details uitwerken en het nieuwe pensioenstelsel is er! In 2019 invoeren.

Reageer