Op 21 december 2009 is een nieuw staffelbesluit gepubliceerd. Dit besluit bevat in de bijlage netto staffels. Waar de oude besluiten uitgingen van bruto staffels, dat wil zeggen verhoogd met kosten en een opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, gaan we nu uit van netto staffels. Lees meer…
Staffelbesluit
Nieuw staffelbesluit met netto staffels
Het gebruik van beschikbare premie staffels
Op 23 oktober 2007 is een nieuw staffelbesluit uitgegeven (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212 o.a. te vinden op www.minfin.nl ). Ik heb in een eerder artikel (17 april 2008) stil gestaan bij de uitgangspunten van de opgestelde staffels. In dit artikel zal ik ingaan op het gebruik van de verschillende staffels in de praktijk.
Het besluit kent 4 verschillende staffels.
Staffel 1
Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar. Bij overlijden vóór of ná de pensioendatum vindt er geen uitkering plaats voor de nabestaanden. Staffel 1 bestaat volledig uit een spaarpremie voor de werknemer en kan dus altijd worden gebruikt.
Staffel 2
Er wordt een premie ingelegd die gebaseerd is op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum vindt geen uitkering plaats. Staffel 2 kent naast de spaarpremie voor het ouderdomspensioen dus ook een spaarpremie voor het nabestaandenpensioen ná de pensioendatum. De vraag dient zich aan of je die staffel ook zou mogen gebruiken voor een werknemer zonder partner. Die hoeft immers geen nabestaandenpensioen te verzekeren. Het nabestaandenpensioen ná pensioendatum is een uitruilbaar pensioen (artikel 18d Wet loonbelasting), zodat iedereen kan besluiten het nabestaandenpensioen om te ruilen voor meer ouderdomspensioen. Zowel een werknemer met, als een werknemer zonder partner kunnen dus een premie gebaseerd op staffel 2 ontvangen. Staffel 2 mag derhalve altijd worden gebruikt.
Staffel 3
Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum wordt een tijdsevenredig deel van het te sparen nabestaandenpensioen uitgekeerd. Stel dat een werknemer in 30 jaar een nabestaandenpensioen spaart van € 21.000,- dan wordt per jaar een nabestaandenpensioen opgebouwd van € 700,- uitgekeerd. Komt hij te overlijden na 5 jaar, dan wordt er dus € 3.500,- (5 x € 700,-) uitgekeerd. Staffel 3 bevat ten opzichte van staffel 2 een extra toezegging, het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Deze toezegging komt er ongeveer op neer dat bij overlijden vóór de pensioendatum de nabestaanden het ingelegde geld terugkrijgen om daarmee een nabestaandenpensioen te kopen. Deze redenering is echter iets te kort door de bocht, want je krijgt bij overlijden niet exact je inleg terug. De staffel gaat er vanuit dat je iets meer krijgt. En als je bij overlijden meer krijgt dan dat je hebt gespaard, loopt de verzekeringsmaatschappij een risico en voor dat risico zullen zij een premie vragen. Staffel 3 bestaat dus uit een spaarpremie vermeerdert met een risicopremie. Als ik derhalve deze staffel toezeg aan een werknemer zonder partner, dan geef ik een risicopremie aan een werknemer die dat risico echter nooit zal verzekeren. Als ik die premie dan toch geef, gebruikt die werknemer die premie als extra spaarpremie en dat is niet toegestaan. Om deze reden hebben veel uitvoerders in het verleden afwijzend gereageerd op het gebruik van staffel 3. De Belastingdienst heeft zich echter altijd coulant opgesteld waar het ging om het gebruik van deze staffel. In het nieuwe besluit van 27 oktober 2007 zijn aan het gebruik van de 3e staffel geen voorwaarden verbonden. De conclusie kan dan ook zijn dat staffel 3, hoewel formeel geredeneerd het niet zou kunnen, altijd kan worden toegepast.
Staffel 4
Deze is gelijk aan staffel 3, maar het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum is niet een evenredig deel van het op te bouwen nabestaandenpensioen maar wordt ook bij overlijden vóór de pensioendatum het op te bouwen nabestaandenpensioen (in het voorbeeld € 21.000,-) uitgekeerd. Staffel 4 bevat naast de spaarpremie, net als staffel 3, ook een risicopremie, alleen is die risicopremie in staffel 4 veel hoger dan in 3. Aan het gebruik van de 4e staffel zijn wel uitdrukkelijke voorwaarden verbonden. Staffel 4 mag alleen worden toegepast als daadwerkelijk een risicoverzekering wordt afgesloten en die betaald wordt vanuit de beschikbare premie. Dat betekent dat de staffel niet kan worden gebruikt indien deze wordt toegezegd aan werknemers zonder partner. Omdat veelal sprake is van een collectieve toezegging aan een groep van werknemers kan niet worden uitgesloten dat er werknemers zullen zijn zonder partner. De collectieve toepasbaarheid van staffel 4 is dan ook beperkt tot de situaties waarin voor alle werknemers een nabestaandenpensioen op risicobasis zal worden verzekerd op basis van het onbepaalde partnersysteem.
Premievrijstelling
In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (delen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.
Kostenopslag
Naast premievrijstelling is tevens rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. Als de kosten niet aan de premie worden onttrokken, maar bijvoorbeeld door de werkgever apart worden betaald, dient deze opslag uit de premie te worden gehaald. Hierbij is echter expliciet opgemerkt dat indien een afwijkende opslag wordt gehanteerd, de staffel daar niet op hoeft te worden aangepast. Opmerkelijk is dat deze opmerking wel wordt gemaakt voor een afwijkende kostenopslag, maar niet wordt gemaakt voor een afwijkende opslag voor premievrijstelling. Dat zou betekenen dat indien sprake is van een afwijkend percentage voor premievrijstelling (alle percentages die niet gelijk zijn aan 8%) er een afwijkende staffel moet worden opgesteld. Ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling is. Wees echter voorzichtig in de praktijk, want letterlijke toepassing van het besluit zou wel zo moeten zijn. Bij twijfel is mijn advies dan ook om de staffel even voor te leggen aan de Belastingdienst.
Overlevingstafel
De staffels zijn gebaseerd op een bepaalde levensverwachting, waarbij men is uitgegaan van sterftetafel GBM/GBV 2000-2005. Aan het gebruik van de staffels is op dit punt een uiterst merkwaardige voorwaarde verbonden.
Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbarepremiepercentages dienovereenkomstig verlagen
Omdat veel pensioenregeling uitgaan van de hiervoor bedoelde collectief tafels (Coll 2003) mogen de gepubliceerde staffels niet onverkort worden toegepast, maar dienen te worden gecorrigeerd. Omdat het toepassen van Coll 2003 meer regel dan uitzondering is, denk ik dat iedere staffel moet worden aangepast.
Beschikbare premieregelingen zullen nooit een succes kunnen worden
Op 23 oktober 2007 zijn vernieuwde staffels gepubliceerd (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212.) De uitgangspunten van de gepubliceerde staffels zijn echter zodanig, dat ik niet verwacht dat veel werkgever zullen over stappen naar beschikbare premie. Een toelichting.
Uitgangspunten
De staffels gaan uit van een mannelijke werknemer met een vrouwelijke partner die 3 jaar jonger is.
In de praktijk leeft een vrouw gemiddeld een aantal jaren langer dan een man. Het pensioen van een vrouw is dan ook duurder dan dat van een man. Doordat de staffels zijn gebaseerd op een mannelijke werknemer kan worden geconstateerd dat een vrouw nooit aan een volwaardig pensioen kan komen. Beschikbare premieregelingen worden echter al geruime tijd uitgevoerd op basis van geslachtsonafhankelijke tarieven. Dat wil zeggen dat het tarief voor mannen en vrouwen gelijk is. Feitelijk heeft men het tarief van een vrouw verlaagd en van een man verhoogd, waardoor ze gelijk zijn. De conclusie luidt dan ook dat niet alleen vrouwen, maar ook manen te weinig pensioen opbouwen. De oplossing is eenvoudig, baseer de staffels ook op geslachtsonafhankelijke tarieven.
De rekenrente is 4%.
De garantietarieven van veel verzekeringsmaatschappijen zijn gebaseerd op een rekenrente van 3%. Stel dat een werkgever een gegarandeerde middelloonregeling heeft toegezegd, dan zal de premie, uitgaande van 3% rekenrente, dus veel hoger zijn dan de beschikbare premiestaffels (de staffels zijn gebaseerd op 2,25% middelloon). De maximale inleg in middelloon is dus hoger dan in beschikbare premie vanwege de lagere rekenrente.
Als een werkgever een gegarandeerde middelloonregeling zou willen vervangen door een beschikbare premieregeling, dan wentelt hij een deel van het risico af op de werknemer. De werknemer krijgt immers geen gegarandeerde uitkering meer, maar een financiering van zijn pensioen. Een werknemer zou die risicoafwenteling slechts accepteren als hij daarvoor een compensatie krijgt. Die compensatie zou een hogere premie moeten zijn. Een hogere premie dan in een middelloonregeling is echter niet mogelijk, daar de staffels uitgaan van een lagere premie. Hierdoor is het derhalve onmogelijk om een middelloonregeling te vervangen door een beschikbare premieregeling, waarbij tevens de risicoafwenteling wordt gecompenseerd.
Conclusie
Door niet uit te gaan van geslachtsonafhankelijke tarieven is de premie inleg in een beschikbare premieregeling te weinig. Door niet uit te gaan van het garantierendement van verzekeraars (3%) maar van 4% wordt dit alleen nog maar verergerd. Als ik daar tevens nog een compensatie voor de risicoafwenteling bij optel, dan kan ik niet anders concluderen dan dat de ruimte in een beschikbare premieregeling zo gering is, dat een goed geïnformeerde werknemer nooit akkoord zou gaan met beschikbare premie als vervanging van een goede eind- of middelloonregeling. Alleen een matige eind- of middelloonregeling (1,5% per dienstjaar of minder) zou vervangen kunnen worden door een beschikbare premieregeling, waarbij de beschikbare premie dan ongeveer gelijk zou moeten zijn aan de gepubliceerde staffels.



