• Home
  • Cijfers 2010
  • Bloggers
  • Colofon
  • Pencyclopedie
  • Ouderdomspensioen

    Werkloos worden, hoe zit het met je pensioen?

    Het zijn voor veel mensen onzekere tijden. Een toenemend aantal mensen raakt hun baan kwijt. Het is goed om vooraf te weten wat een ontslag betekent voor het pensioen. Eventuele pensioenschade is immers een essentieel onderdeel van afvloeiingsregelingen of sociale plannen.

    Opgebouwd pensioen blijft bestaan
    Na uitdiensttreding heb je recht op het tot dan toe opgebouwde pensioen. Als dat jaarlijks pensioen dat je hebt opgebouwd groter is dan € 417,74 blijft dit recht staan. Als het kleiner is dan genoemd bedrag, mag de verzekeringsmaatschappij of het pensioenfonds het pensioen afkopen en de afkoopwaarde aan je overmaken. Dat mag 2 jaar na uitdiensttreding. In die 2 jaar kun je nog gebruik maken van je recht op waardeoverdracht.

    Partnerpensioen en de WW
    Met het oog op werknemers die werkloos worden en recht hebben op een uitkering uit hoofde van de WW is een speciale regeling opgenomen voor het partnerpensioen. Het gaat dan om partnerpensioen dat is verzekerd op basis van een risicoverzekering. Als een werknemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van de WW, zal de dekking voor het partnerpensioen niet komen te vervallen, maar in stand blijven zolang je recht hebt op een WW-uitkering. De hoogte van het partnerpensioen is gelijk aan het opgebouwde pensioen alsof er sprake was van een verzekering met waarde opbouw.

    Voorbeeld
    Een werknemer is in dienst getreden op 25-jarige leeftijd. Het salaris is € 40.000,-. De pensioenregeling is een eindloonregeling met een opbouwpercentage van 2% per dienstjaar voor het ouderdomspensioen en 1,4% voor het partnerpensioen. Het partnerpensioen is verzekerd op risicobasis.

    Op 45 jarige leeftijd gaat de werknemer uit dienst. Het opgebouwde pensioen dan als volgt:

    Salaris € 50.000,- minus een AOW-franchise van (bijvoorbeeld € 15.000,-) is een pensioengrondslag van € 35.000,-.

    Hij heeft 20 dienstjaren * 2% per dienstjaar is 40% pensioenopbouw.

    40% van € 35.000,- is € 14.000,- ouderdomspensioen. Het partnerpensioen is € 9.800,-.

    Omdat sprake is van een risicoverzekering zou het partnerpensioen vervallen. Maar vanwege de bepaling in de Pensioenwet blijft voor zolang de werknemer recht heeft op een WW-uitkering er een dekking bestaan voor het partnerpensioen ter grootte van € 9.800,-.

    Zelf voortzetten
    Bij uitdiensttreding is het mogelijk om de pensioenopbouw voort te zetten. In de fiscale wetgeving is deze termijn gesteld op maximaal 3 jaar. In de Pensioenwet is de voortzetting ook maximaal 3 jaar, maar er zijn twee uitzonderingen. Iemand die zelfstandig ondernemer wordt kan de pensioenopbouw voor 10 jaar voortzetten. Een ondernemer heeft nagenoeg geen mogelijkheden om pensioen op te bouwen in de tweede pijler, zodat is besloten voor deze groep een ruimer regime te hanteren. Ook kan een werknemer die een periodieke uitkering ontvangt in het kader van een ontslagregeling (gouden handdruk of sociaal plan) de pensioenopbouw voortzetten voor de periode dat hij de periodieke uitkering ontvangt. Let echter op, de fiscale aftrekbaarheid van de premie is ongeacht de situatie altijd 3 jaar! Voortzetting na 3 jaar gaat uit het netto inkomen en is niet fiscaal aftrekbaar. De uitkering die wordt opgebouwd in die periode is dan uiteraard ook onbelast.

    FVP
    FVP staat voor Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering. Een werkloze werknemer heeft als hij aan de voorwaarden voldoet recht op een voortzettingsbijdrage van de stichting ten behoeve van zijn pensioenopbouw. De voorwaarden zijn dat de werknemer voor of op de eerste werkloosheidsdag de 40-jarige leeftijd heeft bereikt en in de laatste dienstbetrekking voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een pensioenvoorziening op hem van toepassing was. Het doel van FVP is om de pensioenopbouw van oudere werknemers gedurende werkloosheid (gedeeltelijk) voort te zetten.

    Conclusie
    Als werkgever is het goed om te weten dat een aantal zaken goed geregeld is. Als werkgever is het daarnaast belangrijk om kennis te nemen van deze regelingen, zodat daar bij afvloeiingsregelingen en sociale plannen rekening mee kan worden gehouden. Het is voor beide partijen belangrijk om voor een eventueel ontslag van een werknemer de exacte pensioenschade te kennen.

    Waardeoverdracht wordt goedkoper

    Het financiële risico dat u als werkgever loopt als u een werknemer aanneemt in 2009, is aanmerkelijk afgenomen ten opzichte van voorgaande jaren. Maar blijf opletten, want het kan nog steeds een kostbare aangelegenheid zijn!

    Het financiële risico wordt veroorzaakt door waardeoverdracht. Werknemers hebben bij het aanvaarden van een nieuwe baan recht op overdracht van de opgebouwde pensioenen naar de nieuwe pensioenuitvoerder. De opgebouwde pensioenen worden op basis van een wettelijk vastgestelde waardeberekening overgedragen van de ene naar de andere uitvoerder. De inkoop van de pensioenen bij de nieuwe uitvoerder gaat echter niet op basis van deze wettelijke rekenregels, maar op basis van het contractstarief.

    De inkoopsom op basis van het contractstarief is vaak veel hoger dan de overdrachtswaarde op basis van de wettelijke rekenregels. De werkgever draait op voor het verschil. De rekenregels om de overdrachtswaarde vast te stellen, wijzigen ieder jaar. Ook dit jaar zijn de regels weer veranderd. Echter voor het eerst sinds lange tijd in het voordeel van de werkgever. Maar het blijft een kostbare zaak, zodat je moet blijven opletten wat je doet.

    Aan de hand van een voorbeeld zal ik laten zien hoe een overdracht in zijn werk gaat en wat de veranderende rekenregels voor effect hebben.

    Voorbeeld
    Een man van 40 jaar heeft een ouderdomspensioen opgebouwd van € 10.000,-, uit te keren vanaf 65 jaar. Hij verandert van baan en besluit het pensioen over te dragen naar de uitvoerder van de pensioenregeling van de nieuwe werkgever (waardeoverdracht).

    Hoe was het in 2007?
    De overdrachtswaarde op basis van de rekenregels 2007 bedraagt € 35.633,- (de rekenrente was toen 4%).

    De inkoopsom bij een verzekeringsmaatschappij bedraagt bijvoorbeeld € 64.160,- (uitgangspunten zijn 3% rekenrente, 10% kosten en 1 jaar leeftijdscorrectie op overlevingstafel Coll 2003). Het verschil ad € 28.527,- dient door de werkgever te worden bijbetaald.

    En hoe was het in 2008?
    Op basis van de rekenregels 2008 was de overdrachtswaarde € 26.628,- (op basis van een rekenrente van 4,926%). Het verschil met de inkoopsom bedraagt € 37.532,-. Dit dient door de werkgever te worden bijbetaald.

    En het wordt in 2009…
    In 2009 zijn de regels wederom aangepast. De rekenrente is gedaald naar 4,533%. Daarnaast worden andere sterftegrondslagen gehanteerd, waardoor de overdrachtswaarde hoger wordt. Op basis van de rekenregels 2009 bedraagt de overdrachtswaarde € 39.388,-. Het verschil bedraagt dan nog (maar) € 24.772,-.

    U ziet, het wordt goedkoper, zeker als je vergelijkt met 2008. Het blijven echter grote bedragen die moeten worden bijbetaald. Overleg met uw werknemers wat te doen bij waardeoverdracht en laat u zo nodig adviseren door uw pensioenadviseur.

    Het gebruik van beschikbare premie staffels

    Op 23 oktober 2007 is een nieuw staffelbesluit uitgegeven (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212 o.a. te vinden op www.minfin.nl ). Ik heb in een eerder artikel (17 april 2008) stil gestaan bij de uitgangspunten van de opgestelde staffels. In dit artikel zal ik ingaan op het gebruik van de verschillende staffels in de praktijk.

    Het besluit kent 4 verschillende staffels.

    Staffel 1

    Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar. Bij overlijden vóór of ná de pensioendatum vindt er geen uitkering plaats voor de nabestaanden. Staffel 1 bestaat volledig uit een spaarpremie voor de werknemer en kan dus altijd worden gebruikt.

    Staffel 2
    Er wordt een premie ingelegd die gebaseerd is op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum vindt geen uitkering plaats. Staffel 2 kent naast de spaarpremie voor het ouderdomspensioen dus ook een spaarpremie voor het nabestaandenpensioen ná de pensioendatum. De vraag dient zich aan of je die staffel ook zou mogen gebruiken voor een werknemer zonder partner. Die hoeft immers geen nabestaandenpensioen te verzekeren. Het nabestaandenpensioen ná pensioendatum is een uitruilbaar pensioen (artikel 18d Wet loonbelasting), zodat iedereen kan besluiten het nabestaandenpensioen om te ruilen voor meer ouderdomspensioen. Zowel een werknemer met, als een werknemer zonder partner kunnen dus een premie gebaseerd op staffel 2 ontvangen. Staffel 2 mag derhalve altijd worden gebruikt.

    Staffel 3
    Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum wordt een tijdsevenredig deel van het te sparen nabestaandenpensioen uitgekeerd. Stel dat een werknemer in 30 jaar een nabestaandenpensioen spaart van € 21.000,- dan wordt per jaar een nabestaandenpensioen opgebouwd van € 700,- uitgekeerd. Komt hij te overlijden na 5 jaar, dan wordt er dus € 3.500,- (5 x € 700,-) uitgekeerd. Staffel 3 bevat ten opzichte van staffel 2 een extra toezegging, het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Deze toezegging komt er ongeveer op neer dat bij overlijden vóór de pensioendatum de nabestaanden het ingelegde geld terugkrijgen om daarmee een nabestaandenpensioen te kopen. Deze redenering is echter iets te kort door de bocht, want je krijgt bij overlijden niet exact je inleg terug. De staffel gaat er vanuit dat je iets meer krijgt. En als je bij overlijden meer krijgt dan dat je hebt gespaard, loopt de verzekeringsmaatschappij een risico en voor dat risico zullen zij een premie vragen. Staffel 3 bestaat dus uit een spaarpremie vermeerdert met een risicopremie. Als ik derhalve deze staffel toezeg aan een werknemer zonder partner, dan geef ik een risicopremie aan een werknemer die dat risico echter nooit zal verzekeren. Als ik die premie dan toch geef, gebruikt die werknemer die premie als extra spaarpremie en dat is niet toegestaan. Om deze reden hebben veel uitvoerders in het verleden afwijzend gereageerd op het gebruik van staffel 3. De Belastingdienst heeft zich echter altijd coulant opgesteld waar het ging om het gebruik van deze staffel. In het nieuwe besluit van 27 oktober 2007 zijn aan het gebruik van de 3e staffel geen voorwaarden verbonden. De conclusie kan dan ook zijn dat staffel 3, hoewel formeel geredeneerd het niet zou kunnen, altijd kan worden toegepast.

    Staffel 4
    Deze is gelijk aan staffel 3, maar het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum is niet een evenredig deel van het op te bouwen nabestaandenpensioen maar wordt ook bij overlijden vóór de pensioendatum het op te bouwen nabestaandenpensioen (in het voorbeeld € 21.000,-) uitgekeerd. Staffel 4 bevat naast de spaarpremie, net als staffel 3, ook een risicopremie, alleen is die risicopremie in staffel 4 veel hoger dan in 3. Aan het gebruik van de 4e staffel zijn wel uitdrukkelijke voorwaarden verbonden. Staffel 4 mag alleen worden toegepast als daadwerkelijk een risicoverzekering wordt afgesloten en die betaald wordt vanuit de beschikbare premie. Dat betekent dat de staffel niet kan worden gebruikt indien deze wordt toegezegd aan werknemers zonder partner. Omdat veelal sprake is van een collectieve toezegging aan een groep van werknemers kan niet worden uitgesloten dat er werknemers zullen zijn zonder partner. De collectieve toepasbaarheid van staffel 4 is dan ook beperkt tot de situaties waarin voor alle werknemers een nabestaandenpensioen op risicobasis zal worden verzekerd op basis van het onbepaalde partnersysteem.

    Premievrijstelling
    In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (delen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.

    Kostenopslag
    Naast premievrijstelling is tevens rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. Als de kosten niet aan de premie worden onttrokken, maar bijvoorbeeld door de werkgever apart worden betaald, dient deze opslag uit de premie te worden gehaald. Hierbij is echter expliciet opgemerkt dat indien een afwijkende opslag wordt gehanteerd, de staffel daar niet op hoeft te worden aangepast. Opmerkelijk is dat deze opmerking wel wordt gemaakt voor een afwijkende kostenopslag, maar niet wordt gemaakt voor een afwijkende opslag voor premievrijstelling. Dat zou betekenen dat indien sprake is van een afwijkend percentage voor premievrijstelling (alle percentages die niet gelijk zijn aan 8%) er een afwijkende staffel moet worden opgesteld. Ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling is. Wees echter voorzichtig in de praktijk, want letterlijke toepassing van het besluit zou wel zo moeten zijn. Bij twijfel is mijn advies dan ook om de staffel even voor te leggen aan de Belastingdienst.

    Overlevingstafel
    De staffels zijn gebaseerd op een bepaalde levensverwachting, waarbij men is uitgegaan van sterftetafel GBM/GBV 2000-2005. Aan het gebruik van de staffels is op dit punt een uiterst merkwaardige voorwaarde verbonden.

    Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbarepremiepercentages dienovereenkomstig verlagen

    Omdat veel pensioenregeling uitgaan van de hiervoor bedoelde collectief tafels (Coll 2003) mogen de gepubliceerde staffels niet onverkort worden toegepast, maar dienen te worden gecorrigeerd. Omdat het toepassen van Coll 2003 meer regel dan uitzondering is, denk ik dat iedere staffel moet worden aangepast.

     
    Feedback Form