• Home
  • Cijfers 2010
  • Bloggers
  • Colofon
  • Pencyclopedie
  • Levensloop

    Verhoging AOW leeftijd, generatiescheiding?

    1186433_old_gamesDe plannen voor de verhoging van de AOW leeftijd naar 67 jaar zijn inmiddels in hoofdlijnen bekend. Onderdeel van het plan is dat een groep ouderen buiten schot blijft. Opvallend is dat deze groep al eerder buiten schot is gebleven.
    Lees meer…

    Rapport Commissie Bakker

    Vandaag is het adviesrapport van de Commissie Bakker (Commissie Arbeidsparticipatie) gepubliceerd. Er dreigt een groot tekort op de arbeidsmarkt en als we niets doen, dan loopt ons land vast, aldus Bakker. Het rapport bevat een groot aantal voorstellen om iets te doen aan het tekort. Een aantal van die voorstellen gaan direct of indirect over pensioen. In dit artikel een eerste reactie op pensioenparagrafen uit het rapport.

    AOW naar 67 jaar
    De AOW leeftijd staat nu op 65 jaar. Bij de invoering van de AOW was de levensverwachting vanaf 65 jaar ongeveer 15,5 jaar. Inmiddels is die toegenomen naar ruim 17 jaar en in 2020 zal de levensverwachting vanaf 65 jaar ruim 19 jaar zijn. We genieten dus steeds langer een AOW-uitkering. De commissie Bakker stelt voor om vanaf 2016 de AOW gerechtigde leeftijd ieder jaar met 1 maand op te schuiven, totdat we uiteindelijk op 67 jaar uitkomen. Men wil meer aansluiting zoeken bij de levensverwachting. Naarmate je ouder wordt, zal de AOW leeftijd naar achteren schuiven.

    Commentaar
    Een te verwachten aanbeveling, waar niets mis mee is.

    AOW fiscaliseren
    De commissie Bakker stelt voor om de AOW geleidelijk aan te gaan fiscaliseren. AOW-gerechtigden gaan ook mee betalen aan de AOW. Het netto inkomen vanaf pensionering zal dus lager worden. In eerste instantie zal de fiscalisering van de AOW worden gecombineerd met een doorwerkbonus voor mensen die tussen 60 en 65 jaar werken. Deze doorwerkbonus compenseerd het lagere inkomen vanaf 65 jaar. In eerste instantie is het dus neutraal. Maar de doorwerkbonus is tijdelijk, zodat op termijn het netto inkomen vanaf 65 jaar wel degelijk zal dalen.

    Commentaar
    Ons aanvullend pensioen is er op gericht om 70% van het laatstverdiende inkomen te sparen. Deze 70% is ontstaan vanuit het feit dat je na pensionering minder belasting betaalt. Om hetzelfde netto inkomen te hebben, heb je bruto minder nodig, ongeveer 70%. Door fiscalisering van de AOW zal de behoefte aan een hoger pensioen toenemen.

    Verlaging aanvullend pensioen
    Het aanvullend pensioen (het pensioen dat via de werkgever wordt opgebouwd) is gericht op 70% opbouw. Deze 70% kan worden bereikt in 35 jaar doordat jaarlijks 2% kan worden opgebouwd. Omdat we langer doorwerken kan de periode om de 70% te bereiken ook worden verlengd. De commissie stelt voor om dat te verlengen naar 40 jaar. Het opbouwpercentage zal daarom moeten worden verlaagd van 2% naar 1,75%. De commissie gaat echter nog verder en denkt te kunnen komen tot een leeftijdsgebonden opbouwpercentage. Hoe jonger je bent, hoe lager het opbouwpercentage, zodat de pensioengerechtigde leeftijd in de aanvullende pensioenregelingen uiteindelijk ook naar 67 jaar zal gaan. Omdat de pensioenleeftijd meer individueel zal worden, stelt de commissie voor om de doorsneepremies van bedrijfstakpensioenfondsen nader onder de loep te nemen. Doorsneepremies die gebaseerd zijn op solidariteit tussen generaties passen naar de mening van de commissie niet bij indivduele pensioenleeftijden.

    Commentaar
    Een voor de hand liggend voorstel. Als je wilt dat mensen langer doorwerken, moet je het op te bouwen pensioen verlagen. Een positief effect is tevens dat de pensioenpremies zullen dalen. Ik voorzie een daling van de pensioenlasten met ongeveer 10 tot 12,5%. Het voorstel om te komen tot individuele pensioenleeftijden en opbouwpercentage is in de basis een goed voorstel. Ik voorzie echter grote problemen in de uitvoering. Het voorstel om de doorsneepremies nader te onderzoeken kan ik alleen maar toejuichen.

    Levensloop ook gebruiken na 65 jaar
    Levensloop dient in de huidige situatie te worden gebuikt voor verlof of om eerder met pensioen te gaan. Als je een pensioentekort hebt, kun je het ook gebruiken om je pensioen te verbeteren. Als je op 65 jaar nog niets hebt gedaan met je levensloop, dient het te worden uitgekeerd. Dit bevorderd niet het langer doorwerken. Daarom stelt de commissie Bakker voor om levensloop ook te kunnen gebruiken na pensionering.

    Commentaar
    Een zeer goed voorstel. Levensloop is een bijzonder interessant vehicel voor financial planning, maar kent thans nog beperkingen. Dit voorstel zou levensloop in één keer maken tot een van de meest interessante producten om te sparen voor je oude dag.

    Conclusie
    De commissie Bakker doet een groot aantal voorstellen. Als ik ze in samenhang bekijk dan moet ik concluderen dat het een evenwichtig verhaal is. Doelstelling is om de arbeidsparticipatie te bevorderen door langer doorwerken. Op basis van het voorstel ligt het voor de hand dat we langer gaan doorwerken, zonder dat we er op achteruit zouden moeten gaan tijdens ons pensioen. Doelstelling is niet om minder pensioen te krijgen, maar korter pensioen.

    Die laatste doelstelling wordt echter niet helemaal gehaald. Een kleine aanpassing van de voorstellen is dan ook nog noodzakelijk. Ik zal dit aan de hand van een vereenvoudigd rekenvoorbeeld toelichten.

    Een werknemer verdiend € 35.000,-
    De AOW-franchise is € 12.000,-
    De pensioenopbouw is 2% per jaar
    In 35 jaar bouwt deze persoon € 16.100,- pensioen op

    Op basis van de voorstellen ziet het plaatje er als volgt uit
    In 40 jaar bouwt deze persoon hetzelfde pensioen van € 16.100,- op.

    De AOW wordt gefiscaliseerd, waardoor hij ongeveer € 4.200 meer belasting moet gaan betalen.

    Door de opbouw uit te smeren over 40 jaar in plaats van over 35 jaar ontstaat een pensioenlasten besparing van ongeveer 12,5%. Deze besparing kan worden gestort in de levensloopregeling. Deze regeling zal worden gebuikt om het pensioen uiteindelijk aan te gaan vullen.
    Uitgaande van een rendement van 4% per jaar, kan vanaf pensionering een jaarlijkse aanvulling worden verkregen van ongeveer € 4.500,-. Dit is een netto uitkering van ongeveer € 2.600,-.

    Het nadeel door fiscalisering van de AOW is € 4.200,- per jaar. Het voordeel van de verlaagde pensioenopbouw is € 2.600,- per jaar. Een totale achteruitgang van ongeveer € 133,- netto per maand.

    zie ook www.npn-online.nl

    Levensloopregeling

    De levensloopregeling bestaat nu bijna 2,5 jaar. Een groot succes kunnen we het nog niet noemen. En daar snap ik helemaal niets van. Vanuit het perspectief van pensioen planning is het echt een geweldig instrument. Ik zal in dit artikel toelichten wat er zo geweldig is aan levensloop. Maar ik zal ook een paar belangrijke valkuilen benoemen, want die zijn er ook.

    Levensloop
    Iedere werknemer mag maximaal 12% van zijn salaris sparen en storten op een levenslooprekening (bij de bank) -verzekering (bij een verzekeringsmaatschappij) of -effectenrekening (bij een beleggingsinstelling). Zolang het saldo op 1 januari lager is dan 210% van het salaris, mag er 12% worden gestort. Als het saldo hoger is dan 210% op 1 januari mag er niet meer worden bijgestort. Het saldo mag door rendement nog wel verder toenemen.

    Werknemers 51 tot 56 jaar
    Werknemers die op 1 januari 2005 tussen de 51 en 56 jaar oud waren mogen meer dan 12% van hun salaris storten. Zij mogen zo veel storten als zij wenselijk achten, echter zodra het saldo 210% van het salaris is, mag er niet meer gestort worden.

    Heffingskorting
    Als een werknemer beschikt over het levenslooptegoed, dat wil zeggen dat zij het saldo laten uitkeren in perioden van verlof, hebben zij recht op een levensloopverlofkorting. Deze korting is € 191,- per jaar dat er gespaard is. De levensloopverlofkorting kan echter nooit meer zijn dan het saldo dat wordt uitgekeerd. Ik zal dat aan de hand van een voorbeeld toelichten. Een werknemer spaart 10 jaar lang een bedrag van € 1.000,- Na 10 jaar neemt hij een periode van verlof op. De uitkering in die periode is € 12.500,- De werknemer heeft recht op een heffingskorting van € 1.910,- (10 * € 191,-) Als deze werknemer geen € 1000,- maar € 100,- had gespaard, zou de uitkering € 1.250,- bedragen. De heffingskorting zou dan € 1.250,- bedragen, want die mag niet meer zijn dan de totale uitkering.

    Verlof
    Levensloop is bedoeld als financieringsinstrument voor een periode van verlof. Je spaart een aantal jaar een deel van je bruto salaris. Dat bedrag hoef je dus geen belasting over te betalen en het saldo op de rekening telt niet mee voor de vermogensrendementsheffing van box 3. Vervolgens neemt de werknemer verlof. In die periode van verlof blijft hij gewoon in dienst van de werkgever. Het saldo van de levensloopregeling wordt overgemaakt aan de werkgever en die is inhoudingsplichtig. Feitelijk maakt de werkgever dus gewoon loon over, alleen hoeft hij het niet zelf te betalen, maar wordt het van je levenslooprekening afgehaald. Tijdens verlof mag de uitkering niet hoger zijn dan het laatst genoten salaris. Levensloop mag alleen worden uitgekeerd als je (gedeeltelijk) verlof hebt. Over het deel dat je nog werkt, mag geen levensloopuitkering plaatsvinden. Ook mag levensloop niet worden gebruikt als aanvulling op een uitkering van de overheid zoals WW of WIA (WGA of IVA).

    Aandachtspunten
    Tijdens de periode dat je levensloop geniet ben je nog gewoon in dienst van de werkgever. Een aantal zaken zijn belangrijk om vooraf af te spreken. Allereerst dient zich de vraag aan of je wel zo lang verlof mag opnemen als je zou willen. Veel werkgevers hebben een verlofreglement en lange periodes van verlof, behoudens de wettelijke verloven zoals bijvoorbeeld ouderschapsverlof, zijn niet altijd toegestaan. Tijdens verlof zijn er vervolgens nog een paar praktische zaken. Gaat de pensioenopbouw nog verder tijdens een periode van verlof, en zo ja, wie betaalt de premie in die periode. Het antwoord hierop staat als het goed is in het pensioenreglement. Verder is het belangrijk om vast te stellen wat er gebeurt met bijvoorbeeld een auto van de zaak, een mobiele telefoon van de zaak, een internetaansluiting, toegang tot het netwerk van het bedrijf of een laptop van de zaak. Mag een werknemer al die zaken behouden tijdens verlof of gelden beperkende voorwaarden.

    Prepensioen
    Het is ook mogelijk om verlof op te nemen direct voordat je met pensioen gaat. Feitelijk is dat een vorm van prepensioen. Stel dat de pensioenregeling een pensioendatum kent van 65 jaar. Bijvoorbeeld op 62 jaar neem je drie jaar verlof, dat wordt betaald uit je levenslooptegoed. Feitelijk ga je dan 3 jaar eerder met pensioen. de eerder genoemde aandachtspunten zoals de vraag of je wel zo lang verlof mag opnemen en de vraag of je pensioenopbouw wel doorgaat in die drie jaar verlof, spelen hier uiteraard ook een rol.

    Omzetten in pensioen
    Als er sprake is van een pensioentekort in de pensioenregeling, mag je het saldo uit je levensloop gebruiken om het pensioentekort aan te vullen. Wanneer precies sprake is van een pensioentekort zal ik in een later artikel nog terugkomen. Stel dat een werknemer een pensioentekort heeft en het aanvullen van dat tekort kost € 50.000,-. Op zijn levenslooprekening heeft hij ook € 50.000,- saldo staan, dan kan hij het volledige saldo laten storten in zijn pensioen. Voorwaarde is wel dat zowel de levensloopregeling en het pensioenreglement dit moeten toestaan, maar mijns inziens is dat slechts een formaliteit. Let overigens op dat als je het volledige saldo laat storten in pensioen, je geen recht hebt op de heffingskorting. Ik zou dan ook adviseren om niet alles om te zetten in pensioen. Stel dat deze werknemer 20 jaar heeft gespaard, dan is het advies om € 3.820,- (20 * € 191,-) te laten uitkeren (en dus echt verlof opnemen) en de rest om te zetten in pensioen.

    Interessante optie
    De laatste optie maakt levensloop zo interessant. Veel werknemers sparen iets extra’s voor hun pensioen. Dat doen zij door extra stortingen te doen in de pensioenregeling of door middel van een lijfrenteverzekering of lijfrenterekening (banksparen). Zowel pensioen als lijfrente hebben een groot nadeel en dat is dat je je geld pas weer terugziet als je met pensioen gaat. Je moet dus heel zeker zijn van je zaak wil je pensioen of lijfrente gaan sparen. Zoals eerder opgemerkt kan je levensloopgeld op ieder gewenst moment omzetten in pensioen. En levensloop kent niet die beperking dat je het geld pas terugziet als je met pensioen gaat. Levensloop kan je gebruiken voor verlof, voor prepensioen én omzetten in pensioen. Veel flexibeler dan pensioen of lijfrente. Levensloop kan zelf bij uitdiensttreding worden afgekocht, iets wat bij pensioen nooit mogelijk is. Ik denk dan ook dat het goed is om niet te sparen voor extra pensioen of lijfrente. Spaar al je geld dat je wilt sparen voor later gewoon op je levensloop. Mocht je gaande de rit (en voor sommige mensen is dat nog 40 jaar) een ander inzicht krijgen, dan zit je bij levensloop niet vast, bij pensioen wel. Als alles gaat zoals je van tevoren had gepland, dan zet je het levensloopgeld uiteindelijk om in pensioen en heb je precies hetzelfde als dat je heel je leven voor pensioen hebt gespaard. Je bent alleen veel flexibeler geweest. En flexibiliteit is vrijheid.

    Ik moet hierbij wel een nuance aanbrengen. Als je extra spaart voor je pensioen wordt die premie ingehouden op je bruto loon, net als levensloop. De uitkering is te zijner tijd belast en het saldo telt niet mee voor box 3. Daarin verschilt levensloop en pensioen dus ook niet. Een belangrijk verschil is echter de werknemerspremies. Over de pensioenpremies die worden ingehouden op het loon, hoeven geen werknemerspremies (bijvoorbeeld WW) te worden betaald. Over bedragen die worden ingehouden voor levensloop worden die premies wel ingehouden. Voor iedereen die dus minder verdient dan het maximum premieloon (€ 46.205,-) is sparen via levensloop voor pensioen uiteindelijk duurder dan wanneer je rechtstreeks spaart voor pensioen. Werknemers met een salaris boven die grens hebben daar geen last van.

    Mijn advies; allemaal aan de levensloop!

    Pensioengevend salaris voor de DGA

    Regelmatig krijg ik vragen over het pensioengevend salaris van de directeur-grootaandeelhouder (DGA). Ook het pensioen van de DGA wordt bepaald op basis van de pensioenformule: (salaris -/- franchise) * opbouwpercentage * diensttijd.

    Eigen beheer
    Allereerst dient te worden opgemerkt dat het al dan niet opbouwen van pensioen in eigen beheer van invloed is. Indien de DGA zijn pensioen volledig verzekerd heeft, zijn de bepalingen van toepassing die voor iedere werknemer van toepassing zijn. Als de DGA pensioen geheel of gedeeltelijk in eigen beheer houdt, zijn afwijkende regels van toepassing (artikel 18h Wet loonbelasting juncto artikel 10c Uitvoeringsbesluit loonbelasting). Indien van toepassing zal ik aangeven waar verschillen zijn tussen eigen beheer en volledig verzekeren.

    Auto van de zaak
    Als hoofdregel geldt dat als salaris kan worden aangemerkt alle loonbestanddelen met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto (artikel 10b Uitvoeringsbesluit loonbelasting).

    In de praktijk zie ik dat veel pensioenberekeningen voor een DGA gebaseerd worden op de jaaropgave. Daar staat immers het fiscale loon op vermeld. Omdat sinds 2006 de auto in de loonbelasting is gekomen, staat sindsdien de eventuele bijtelling van de auto van de zaak ook op de jaaropgave. Indien nu de jaaropgave als vertrekpunt wordt genomen voor de berekening, bestaat de kans dat ook pensioen wordt opgebouwd over de bijtelling van de auto van de zaak. Mijn advies is dan ook om nooit uit te gaan van de jaaropgave!

    Onder alle loonbestanddelen valt dus ook loon in natura. In beginsel is het toegestaan om pensioen op te bouwen over loon in natura (met uitzondering van de auto). Indien het pensioen echter geheel of gedeeltelijk in eigen beheer wordt gehouden, is het niet toegestaan om pensioen op te bouwen over loon in natura.

    Vast en variabel
    Er wordt een onderscheid gemaakt tussen pensioenopbouw over regelmatig genoten inkomsten en niet regelmatig genoten inkomsten. In de praktijk wordt dit vaak aangeduid met vast en variabel loon. Er zit echter een subtiel verschil tussen beide begrippen. Variabel loon kan immers wel regelmatig worden genoten.

    Het onderscheid dat wordt gemaakt betreft het pensioensysteem. Binnen een eindloonregeling kan alleen pensioen worden opgebouwd over regelmatig genoten inkomen. Niet regelmatig genoten inkomen mag alleen worden meegenomen bij middelloon of beschikbare premie. Indien de DGA niet regelmatig genoten inkomsten heeft, kan derhalve worden overwogen om een pensioentoezegging te doen op basis van middelloon of beschikbare premie. Het is echter ook mogelijk om een eindloontoezegging te doen voor het regelmatig genoten inkomen en voor het niet regelmatige deel een aanvulling op basis van middelloon.

    Voor werknemers is het gebruikelijk dat zij vakantiegeld krijgen. Voor DGA’s is dat echter geen vanzelfsprekendheid. Bij de definitie van het pensioengevend salaris in de pensioenbrief en bij het maken van de pensioenberekening is het dan ook belangrijk om vast te stellen of er sprake is van vakantiegeld of niet.

    Salarisverhogingen
    Op grond van artikel 10b lid 1 Uitvoeringsbesluit loonbelasting mogen, als sprake is van een eindloonregeling, salarisverhogingen in de periode 5 jaar voorafgaand aan de pensioendatum niet altijd volledig meetellen. In die periode mag een maximale salarisverhoging van 2% boven de loonindex worden meegenomen voor de berekening van het pensioen. Dus een DGA verdient een salaris van 100. 4 jaar voor de pensioendatum wordt het salaris verhoogd naar 110. Stel dat de loonindex 2%. Dan mag het pensioengevend loon dus maximaal worden verhoogd naar 104 (2% loonindex + 2% = 4%). Over de resterende 6 mag wel pensioen worden opgebouwd, maar dan alleen op basis van middelloon of beschikbare premie. Dit moet dan uiteraard wel zijn vastgelegd in de pensioenbrief. Agendeer dus voor alle DGA’s 6 jaar voor de pensioendatum om het salaris te bespreken in relatie tot de pensioenopbouw. Dat is immers het laatste jaar waarin nog iets kan worden gedaan aan het pensioengevend loon.

    Peildatum
    Veel pensioentoezeggingen kennen een zogenaamde peildatum. Dat is de datum waarop het pensioengevend loon wordt vastgesteld. Meestal is dat 1 januari. Voor het maken van een juiste pensioenberekening dient dan ook te worden uitgegaan van het salaris dat geldt op die peildatum. Als in de loop van het jaar het salaris veranderd, telt die verandering niet mee voor de berekening van het pensioen. In de praktijk blijkt vaak dat het werken met het salaris van de maand januari niet werkbaar is. Mocht dat zo zijn, dan kan uiteraard worden besloten om met een andere peildatum, of geen peildatum te werken. Uiteraard moet daar de pensioentoezegging dan wel op worden aangepast.

    Optimalisatie
    Indien de DGA een eigen bijdrage betaalt voor de pensioenregeling of spaart voor levensloop, dan hoeft dat geen invloed te hebben op het pensioengevend loon. Met dit gegeven kan de pensioenopbouw voor de DGA verder worden geoptimaliseerd. De DGA mag een eigen bijdrage betalen van maximaal 50% van de pensioenpremie (indien geheel of gedeeltelijk eigen beheer). Stel dat het salaris van de DGA 100 is en de totale pensioenpremie 10. Dan kan de DGA zijn salaris verhogen van 100 naar 105 en tegelijkertijd een eigen bijdrage voor de pensioenregeling introduceren van 5. Het belast loon zal door deze operatie 100 blijven, de last voor de VPB (salaris plus pensioen) blijft 110, maar de pensioenopbouw gaat niet meer over een salaris van 100, maar over een salaris van 105.

    Ditzelfde kan worden gedaan met levensloop. Uitgaande van een salaris van 100 kan jaarlijks 12 worden gespaard voor levensloop. Door het salaris te verhogen met 12 neemt het pensioengevend loon toe, het belastbaar loon blijft 100 en de DGA spaart 12 in levensloop.

    Een veel gestelde vraag in dit kader is of pensioenopbouw over de ZVW bijdrage ook mogelijk is. Omdat alle loonbestanddelen kunnen meetellen, kan de ZVW bijdrage ook meetellen. Let daarbij echter op dat iets pas meetelt, als dat ook als zodanig is opgenomen in de pensioenbrief of het reglement.

    Tenslotte
    Bepalend is de salarisdefinitie in de pensioenbrief. Als de bepalingen in de pensioenbrief niet optimaal zijn of niet werkbaar, pas dan de pensioenbrief aan!

     
    Feedback Form