• Home
  • Bloggers
  • Colofon
  • Contact
  • Pensioencijfers
  • Nuttige websites
  • Pensioen
  • Pencyclopedie
  • Nederlands pensioenstelsel is ouderwets

    Het Nederlandse pensioenstelsel is niet meer van deze tijd en voldoet derhalve niet meer. Een pittige stelling, die hopelijk voldoende aanleiding biedt voor discussie. Ik zou de huidige economische omstandigheden gemakkelijk kunnen aanhalen als reden voor omvorming van het hele pensioenstelsel. Immers, de buffers van veel pensioenfondsen zijn weg, toeslagen blijven vaak jarenlang achterwege en zelfs pensioenkortingen komen voorbij. Stuk voor stuk directe gevolgen van de algehele malaise op de markt. Deskundigen zijn het met elkaar eens dat er iets moet gebeuren met ons pensioenstelsel. De vraag is alleen: wat en hoe?

    Er zijn tal van varianten mogelijk. Ik zou graag zien dat de discussie wordt losgekoppeld van de huidige recessie. Dat we met zijn allen eens echt goed nadenken over wat onze pensioenklanten, de werknemers, het liefst zouden willen en hoe zij dat willen. Uiteindelijk is pensioen niets meer of minder dan uitgesteld loon. Het moet zorgen voor een stabiel -liefst inflatiebestendig- inkomen vanaf een bepaalde pensioenleeftijd. Laten we dit gegeven nu eens als uitgangspunt nemen.

    Recentelijk was ik bij een bijeenkomst over pensioencommunicatie. Daar werd de vraag gesteld hoe het toch komt dat jongeren nooit present zijn bij dergelijke gelegenheden. Het antwoord is simpel: het interesseert ze niet. Sterker nog, wat als je een 25-jarige de volgende keuze voorlegt:

    A)    EUR 3000 bruto salaris per maand, waarbij EUR 300 bruto (dus fiscaal voordelig) opzij wordt gezet voor pensioen. Uiteindelijk netto maandsalaris is ongeveer EUR 1620.

    B)    EUR 3000 bruto salaris, zonder te sparen voor pensioen. Uiteindelijk levert dat netto ongeveer EUR 1800 op.

    Waar ouderen waarschijnlijk kiezen voor A, zullen veel jongeren hun voorkeur uitspreken voor B, denk ik. Uitgaande van de materialistische wereld waarin we leven.  Nu zouden we kunnen proberen om het pensioenbewustzijn van jongeren te vergroten. Bijvoorbeeld door hen te wijzen op de inkomensrisico’s, de zorg voor later etc. Maar persoonlijk denk ik dat die aanpak weinig zal opleveren. Het is in mijn optiek beter om dit gedrag te accepteren en goed te kijken naar de mogelijkheden om op basis hiervan een nieuw Nederlands pensioenstelsel te vormen. We leven nu eenmaal in een tijd waarin mensen zelf keuzes kunnen en ook willen maken, zonder dat deze ons worden opgelegd.

    Wat mij betreft wordt bij een nieuw pensioenstelsel vooral ook goed gekeken naar de levensfasen van mensen. Ik onderscheid er vier, waarbij de leeftijdsgrenzen uiteraard naar eigen inzicht kunnen worden bepaald:

    • Junior : leeftijd 20 – 35. Voor deze groep geldt over het algemeen dat een hoog salaris en materialiteit belangrijk zijn, maar ook dat sparen voor later nu het goedkoopst is.
    • Medior : leeftijd 35 – 50. Deze groep heeft veelal opgroeiende en/of studerende kinderen en dus is meer geld om handen erg prettig. Tegelijkertijd wordt ook al gedacht aan later.
    • Senior-min : leeftijd 50 – 65. Kinderen zijn vaak het huis uit. Een goed en veilig pensioeninkomen is belangrijk.
    • Senior-plus : gepensioneerden ouder dan 65. Een gegarandeerde AOW-uitkering aangevuld met een waardevast pensioen betekent voor deze groep een zorgeloze oude dag.

    Ik zie veel heil in een nieuw pensioenstelsel dat rekening houdt met deze levensfasen en de bijbehorende behoeften. Ik noem het ‘Levens Pensioen Budget’ en zal uitleggen hoe het werkt of zou kunnen werken.

    Kijkend naar de vier genoemde levensfasen kunnen we concluderen dat er voor een normale werknemer gedurende zijn actieve en gepensioneerde leven in beginsel vier elementen van belang zijn, namelijk salaris, nominaal pensioen, koopkrachtbehoud en AOW (overheid). Het Levens Pensioen Budget gaat er van uit dat werkgevers, net zoals nu het geval is, een bepaald pensioenbudget afspreken met sociale partners. Veronderstel bijvoorbeeld dat de werkgever niet meer dan 15 procent van de salarissom aan pensioen wil besteden. Nu is het zo dat deze 15 procent wordt gestort in het pensioenfonds, die deze gelden vervolgens belegt via een beleggingsmix. Doel is hierdoor goede rendementen te behalen om zo de nominale pensioenen te kunnen indexeren. De afgelopen tijd hebben we echter met z’n allen meegemaakt tot welke ellende dat leidt.

    Vanuit de verzorgingsgedachte en om mensen toch tot op zekere hoogte tegen zichzelf te beschermen, moet de pensioenfondsenconstructie blijven bestaan. Dit is een groot goed en het versterkt onze internationale concurrentiepositie. Maar, ik vind dat pensioenfondsen hierbij de doelstelling moet worden opgelegd om alleen de nominale pensioenen zeker te stellen of zelfs te garanderen. Zo zijn alle werknemers in elk geval verzekerd van een 100 procent levenslange nominale pensioenuitkering. Ik durf hierbij zelfs zover te gaan dat alle pensioenfondsen dezelfde pensioenaanspraken moeten toezeggen. Bijvoorbeeld 2 procent middelloon, waarbij er nooit meer dan 25 procent in aandelen mag worden belegd. Mocht een pensioenfonds dan toch in problemen komen, dan kan de overheid garant staan voor een eventueel tekort via een Nationaal Pensioen Garantiefonds.  Eventuele beleggingswinsten worden hierbij wel direct aangewend voor verhoging van de pensioenen.

    Hoe kan dit vervolgens worden ingepast in de verschillende levensfasen van werknemers? Dat is in feite simpel, namelijk door het gehele budget van 115 procent salaris te verminderen met de kosten van deze nominale pensioentoezegging. Stel dat er nog 105 procent overblijft aan budget, dan kan het Levens Pensioen Budget er als volgt uit zien:

    • Een Junior kan de 5% extra salaris gebruiken om alvast relatief goedkoop extra gegarandeerd pensioen in te kopen. Bij voorkeur in het eigen pensioenfonds. Ook kan gekozen worden om deze 5% gewoon als salaris uit te laten keren.
    • Een medior zal normaal gesproken de 5% extra salaris uitbetaald willen hebben, vanwege de hogere kosten van levensonderhoud door opgroeiende kinderen. Maar ook hier kan worden gekozen om toch extra pensioen op te bouwen of zelfs combinaties.
    • Een senior is gebaat bij een goed nominaal pensioen inclusief koopkrachtbehoud. Hij kan de 5% gebruiken om toekomstige toeslagen vanaf leeftijd 65 in te kopen.
    • Een gepensioneerde ontvangt uiteraard geen salaris meer, maar kan nu wel genieten van een goede AOW en een naar eigen inzicht behaald oudedagspensioen. Eventueel inclusief toeslagen. Het zou hierbij prachtig zijn als ook de AOW flexibel wordt gemaakt.

    Ik realiseer mij dat er talloze combinaties mogelijk zijn en dat de vier levensfasen absoluut niet te generaliseren zijn . De ene dertiger is nou eenmaal niet de andere dertiger. Wellicht is de constructie te eenvoudig weergegeven voor een complexe materie als dit. Aan de andere kant zijn de meest simpele oplossingen vaak de beste. Het gaat mij er in elk geval om, dat we het referentiekader ter discussie stellen. In Nederland wordt vaak te snel geroepen dat iets niet kan. Ik redeneer juist andersom door te stellen dat alles kan, zolang iedereen er maar van overtuigd is dat het kan.

    Kortom, dit model biedt vele mogelijkheden en komt tegemoet aan de huidige specifieke eisen en wensen van veel werknemers. Het huidige stelsel heeft z’n beste tijd gehad… is althans mijn mening.

    5 Reacties op “Nederlands pensioenstelsel is ouderwets”

    1. Ik ben het niet eens met de auteur. Het stelsel is goed, prudent en degelijk en zal zelfs deze crisis doorstaan. Wel zitten er m.i significante onvolkomendheden in de berekeningen van de verplchtingen, en derhalve in het FTK. Daardoor ontstaat bij grote groepen stakeholders en bij het algemeen publiek het beeld dat pensioenfondsen niet goed met de diverse belangen zouden zijn omgegaan en soms bijkans failliet zijn of zoals ik vorige week in FD las, op termijn “leeg” geraken of meer ongenuanceerds. Wel ben ik het eens met de stelling dat pensioenfondsen zich nu en zeker na deze crisis nog eens indringend mogen bezinnen op hun kerntaak: het bieden van bij hoge voorkeur een welvaartsvast pensioen (dus niet uitsluitend nominaal) tegen redelijke premies, zonder verrassingen (risico van afstempelen of jarenlang niet indexeren) en dat als ware het een CDC: dus ook niet bij elke onderdekkingsdip de sponsor moeten gaan vragen even bij te springen met vaak niet flauwe bedragen. Bovendien is regeren vooruitzien: de fondsen die in het diepst van de crisis al hun rente hebben (hadden) afgedekt en hun aandelen deels hebben verkocht zijn waarschijnlijk niet de geprefereerde fondsen voor de komende jaren, en al helemaal niet als er inflatie zou gaan komen. Goed management van en visie op je fonds is ook wat waard. Het is toch wat zot dat je een (swap) rente moet gebruiken om je verplichtingen te moeten verdisconteren tegen de hele looptijd die niet in de buurt komt van het hele rendement dat je kunt maken op vastrentend of op je hele portefeuille? Uiteraard prudente rendementen. Ook zot is dat het slechts de bril is die de toezichthouder opzet evenals de actuaris en de accountant. M.a.w we definieren ons arm maar zijn we dat ook echt? Veel activa zijn wel gedaald maar bij lange niet zo hard als de dekkingsgraden, dat probleem zit bovenal aan de verplichtingenzijde van de balans en is daarmee ook een definitie probleem: welke bril zetten we op? Tegen 4% rekenrente (APP)zouden veel fondsen al rond of boven de 100% DG zitten op dit moment. Zie bijgaand het artikel van Lans Bovenberg: “dit is een te sombere weergave en niet reeel”. Er mag van mij best worden nagedacht of de beleggingsmix per leeftijdscategorie wat af mag nemen qua risico naarmate de (pensioen) leeftijd vordert. Een integer belegginsgadviseur zal niet anders adviseren. Een goed gespreide aandelen en beleggingsmix zal op de langete termijn zijn werk doen, het gaat erom de korte termijn (onderdekkingsrisico’s) te managen. Bijgaand de beste artikelen uit de recente vakpers.

      Herstelbeleid pensioenfonds te star
      25 juni 2009 | Het Financieele Dagblad

      Door: Beetsma, R.;Wijnbergen, S. van

      Roel Beetsma en Sweder van Wijnbergen

      Snelheid voor herstel van dekkingsgraden moet afhankelijk gemaakt worden van de conjunctuur

      Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de brief van minister Donner betreffende de ‘Brede aanpak pensioenvraagstukken’. De brief gaat vooral over het functioneren van het Financieel Toetsingskader (FTK), het beleggingsbeleid van de pensioenfondsen en het medezeggenschapsvraagstuk. Discussie is hoog nodig. Donner staat op het punt verkeerde stappen te nemen vanwege dat FTK.

      Onze belangrijkste kritiek is dat het huidige systeem van toezicht te star is. Doordat de dekkingsgraden van veel fondsen beneden de 105% zijn geraakt, hebben ze herstelplannen moeten indienen om weer binnen 5 jaar boven deze ondergrens te komen. Daarbij wordt expliciet de mogelijkheid tot het verlagen van de nominale aanspraken opengehouden. Een 20-tal fondsen heeft zelfs al een verlaging aangekondigd.

      Dit is onnodig, het huidige beeld van de fondsen is te somber. Allereerst zijn hun beleggingen ondergewaardeerd door de gebrekkige liquiditeit in de relevante markten en de evident tijdelijk hoge risicopremies die gevraagd worden. Bovendien hebben de huidige verplichtingen een ongekend hoog niveau bereikt doordat de rentetermijncurve, waartegen de toekomstige pensioenbetalingen verdisconteerd worden, uitzonderlijk laag ligt. Vooral de lange rente, die recent alweer gestegen is, zal verder omhooggaan, al is het maar door de grote hoeveelheid overheidsschuld die nu gecreëerd wordt. Hogere rentes impliceren dat een gegeven nominale verplichting in de toekomst een lagere verdisconteerde waarde heeft dan vandaag, dus hogere rentes leiden vanzelf tot een herstel van de dekkingsgraad. Een procentpunt rente komt gemiddeld overeen met maar liefst 15 procentpunten dekkingsgraad.

      Het probleem wordt verergerd doordat de verdiscontering plaatsvindt met de zogenaamde variabele swaprentecurve. Om zich in te dekken tegen de voor hen desastreuze gevolgen van een verder dalende rente gaan pensioenfondsen op grote schaal renteswaps aan, waarbij variabele rente-inkomsten worden verkocht in ruil voor vaste rente-inkomsten. Hiermee wordt die swaprente echter verder omlaag gedreven, wat systeemwijd resulteert in een verdere stijging van de waarde van de verplichtingen.

      Drastische ingrepen, vooral forse verhogingen van de pensioenpremies, brengen nog een ander probleem met zich mee: ze zetten de besteedbare inkomens onder druk. Een daling van de besteedbare inkomens leidt tot daling van de consumptie en daarmee tot een versterking van de recessie. En dat alles omdat financiële markten evident tijdelijk voor de fondsen ongelukkige signalen afgeven in reactie op de kredietcrisis.

      Verstandig beleid vermijdt een te star toetsingskader. De huidige situatie is uniek en vereist een op maat gemaakte reactie. Wij stellen een twee jaar standstill voor, totdat normale prijsniveau’s teruggekeerd zijn op de financiële markten. Wanneer de economie en de rentestand herstelt, maar de dekkingsgraden nog steeds te laag blijken, kan het herstelbeleid alsnog aangescherpt worden. Nu is dat echter niet nodig. Deze crisis maakt verder duidelijk dat het FTK ook structureel flexibeler gemaakt moet worden. De grens voor onderdekking en de snelheid waarmee de dekkingsgraden hersteld moeten worden, moet afhankelijk worden van de conjunctuur. Gemiddeld hetzelfde als nu, maar strakker in hoogconjunctuur en losser in laagconjunctuur. Dan hoeven pensioenfondsen niet en masse aandelen te verkopen als de buffers laag zijn, terwijl de aandelenmarkt al is ondergewaardeerd en zodoende nog verder naar beneden wordt gedreven. Bovenal vermijdt een beter uitgebalanceerd herstelbeleid negatieve macro-economische effecten zonder de houdbaarheid van ons stelsel in gevaar te brengen.

      De auteurs zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

      ABP: Daling dekkingsgraad deels boekhoudkundig

      AMSTERDAM (Dow Jones)–De daling van de dekkingsgraad tot onder het wettelijk vereiste niveau heeft deels een boekhoudkundige oorzaak, stelt pensioenfonds ABP in een toelichting op de resultaten over het afgelopen jaar.

      Vanochtend werd bekend dat de dekkingsgraad van ABP, de verhouding tussen hun vermogen en de financiele verplichting aan leden, verder is verslechterd. Per 31 december had ABP een dekkingsgraad van 90%, flink onder het minimumniveau van 105% dat toezichthouder de Nederlandsche Bank (DNB) vereist.

      De dekkingsgraad wordt in belangrijke mate bepaald door de rente waarmee wordt gerekend om het verwachte vermogen en de verwachte pensioenverplichtingen te waarderen.

      Omdat pensioenfondsen zo’n 90 jaar vooruitrekenen, heeft een daling of stijging van deze ‘rekenrente’ een enorm effect. Een daling van de rente van 1% leidt tot een toename van de verplichtingen met 17%, stelt het ABP.

      Volgens de huidige Pensioenwet moeten pensioenfondsen hun toekomstige verplichtingen waarderen aan de hand van de zogenaamde swap rente – een rente die vergelijkbaar is met de rente op langlopende staatsleningen en die “nagenoeg risicoloos” kan worden behaald op de kapitaalmarkt.

      Deze swap rente is in 2008 fors gedaald, tot 3,6% aan het einde van het jaar, wat een sterk negatieve impact op de verwachte verplichtingen had.

      ABP wijst er echter op dat deze lage rekenrente niet per se overeenkomt met het feitelijke rendement. Zo behaalde het ABP in de afgelopen vijftien jaar gemiddeld een rendement van 5,9%.

      Als ABP in de toekomst zou mogen rekenen met het gemiddelde gerealiseerde rendement, dan zou de dekkingsgraad tientallen procenten hoger uitkomen, stelt het pensioenfonds.

      Een woordvoerder kon niet direct zeggen of het ABP een voorstander is van een versoepeling van de boekhoudregels voor pensioenfondsen. Wel is dit een van de opties waaraan wordt gedacht. “We werken hard aan een herstelplan en daarbij passeren verschillende opties de revue”, zegt een woordvoerder van ABP in een toelichting tegen Dow Jones.

      Hij noemt als andere optie het oprekken van de termijn waarbinnen pensioenfondsen hun dekkingsgraad moeten herstellen. Deze termijn staat nu op maximaal drie jaar. “Ons uitgangspunt is dat de mensen die hun pensioen bij ons hebben afgesloten er zo min mogelijk of liefst geen last van hebben.”

      Swaprente onder vuur

      IPE.com 12 March 2009:

      Zijn pensioenfondsen ‘in wezen bankroet’, of is de huidige deplorabele staat van het pensioenstelsel veeleer te wijten aan een toezichtsregime dat in wezen niet voldoet? Piet Duffhues, emeritus hoogleraar Ondernemingsfinanciering en Anton van Nunen, onafhankelijk adviseur betogen dat het laatste het geval is.

      Volgens sommige commentatoren zijn pensioenfondsen ‘in wezen bankroet’. Deze overtuiging berust echter mede op het feit dat de verplichtingen van een fonds onjuist worden berekend en dat een te grote betekenis wordt toegekend aan de statische dekkingsgraad van een fonds.

      Het is zeer de vraag of de richtlijnen van DNB ter berekening van de marktwaarde van de verplichtingen van een pensioenfonds wel een consistente fair value opleveren. Een markt voor het vaststellen van de actuele prijs van de pensioencontracten bestaat niet, dus moet er modelmatig worden gedacht en gerekend. Deze fair value wordt ons inziens niet correct berekend. De toezichthouder heeft in 2004 zonder motivering afgekondigd dat de pensioenverplichtingen moeten worden gewaardeerd tegen een ‘kredietrisicovrije disconteringsvoet’ en koos daarbij de swaprente. Wij menen dat dit uitgangspunt onjuist is en zichzelf tenminste heeft overleefd.

      Pensioenschulden zijn niet risicoloos. Dat merken we dezer dagen wel erg duidelijk. Een disconteringsvoet die een bescheiden risico-opslag legt op de variabele staatsrente is veel meer opportuun.

      De verplichtingen van pensioenfondsen zijn zeker anno 2007/2008 veeleer vergelijkbaar met die van corporate bonds met rating AA dan met een nagenoeg risicoloze renteswap. Als pensioenfondsen zwakke beleggingsresultaten behalen, wordt mogelijk gekort op de uitkeringen hetgeen betekent dat de schuld niet wordt afbetaald. Bovendien hebben sponsors veelal afgehaakt als het gaat om het toezeggen van bijstortingen als de beleggingen slecht renderen. Het impliciete rendement op de ‘quasi’-obligaties van een pensioenfonds moet dan ook hoger worden geschat dan de swap rate. Het risicoprofiel van een pensioenfonds is veel hoger (gebleken) dan wordt gesuggereerd door het gebruik van de swap rate.

      In de bestaande praktijk heeft de zeer lage swaprente voor langere looptijden tot gevolg dat een extra toename van de marktwaarde van de verplichtingen optreedt en een extra daling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds. Het gaat hier bovendien om een zichzelf versterkend proces gezien de activiteiten van de fondsen op de swapcurve: het indekken draagt bij aan een lagere rente. Hierdoor komen weer meer pensioenfondsen in onderdekking die daarop weer meer gaan indekken.

      De swaprente is derhalve niet de geschikte disconteringsvoet om twee redenen: het niveau is te laag vanuit theoretische overwegingen en het percentage wordt mede bepaald door het gedrag van de pensioenfondsen zelf. De vergrote vraag heeft er zelfs mede toe geleid dat die rente is gedaald tot onder het niveau van de rente op staatsleningen. De tijd is gekomen voor DNB om met name de pensioensector opnieuw te consulteren over de hedendaagse inzichten ter zake. DNB heeft zich destijds ook voorgenomen op termijn tot een evaluatie over te gaan. Daar lijkt nu het goede moment voor aangebroken.

      Disconteringsvoet voor pensioenfondsen: grote fout.

      IPE.com 16 February 2009:

      De pensioensector is in grote problemen. Het merendeel van de fondsen heeft een dekkingsgraad die aangeeft dat ze op lange termijn niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen (<100%). De situatie van pensioenfondsen is echter minder ernstig dan nu wordt voorgesteld en wordt veroorzaakt door de keuze van een arbitraire, niet te motiveren en ondeugdelijke disconteringsvoet.

      Voordat het zogenaamde nieuwe Financiële Toetsingskader (nFTK) werd ingevoerd, konden pensioenfondsen een vaste en prudente discontovoet (4%) toepassen op de jaarlijks te verwachten uitkeringen (al dan niet geïndexeerd) om de contant gemaakte waarde van de verplichtingen te berekenen.

      Met de introductie van het nFTK heeft de regelgever in Nederland beschikt, dat als disconteringsvoet voortaan gewerkt moet worden met de op enig moment bestaande lange termijn rentevoet (welke precies is afhankelijk van de looptijd van de verplichtingen). Met deze verandering is een geweldig verstorende factor in dit systeem geslopen. Wanneer om welke redenen dan ook deze rentevoet daalt en zeker wanneer die daling omvangrijk is, heeft dat grote consequenties voor de verhouding tussen de waarde van de beleggingsportefeuille en de (contant gemaakte) waarde van de verplichtingen. Zo is in de afgelopen jaren een combinatie van een ruim monetair beleid en een economische situatie waarin grote jaarlijkse productiviteitswinsten en de opkomst van China de inflatie wereldwijd deed dalen, de oorzaak geweest van een fors dalende lange termijn rente. Als dit een bestendige, lange termijn ontwikkeling is, moet die inderdaad doorwerken in de verplichtingen, maar zo eenvoudig ligt het niet. Op de eerste plaats is die rente door de “vlucht” van veel beleggers naar zogenaamde risicoloze beleggingen veel verder gedaald dan op grond van macro-economische verhoudingen zou zijn gebeurd. Nog belangrijker is dat de toezichthouder, om arbitraire redenen, gekozen heeft voor de (zero) swap rentevoet, die zeer gevoelig blijkt te zijn voor vraag- en aanbodverhoudingen. Daar zit de weeffout, die het volgende dodelijke mechanisme in werking zet: de rente daalt, waardoor de verplichtingen stijgen, pensioenfondsen dekken zich in door obligaties (of derivaten) in te kopen en (gedaalde) aandelen te verkopen, verlagen daarmee diezelfde rente en voeden daarmee het mechanisme opnieuw. Al in 2004/2005 is een dergelijk mechanisme naar voren gekomen, maar had toen nog niet zulke grote gevolgen als in 2009, nu de kredietcrisis de waarde van alle niet-vastrentende beleggingen ook nog eens heeft uitgehold.

      Een arbitraire keuze dreigt dus tot desastreuze ingrepen in een mooi pensioenstelsel te leiden. Dat moet voorkomen worden en dat kan ook. Het kan niet de bedoeling geweest zijn van de toezichthouder en het ministerie van SZW een zichzelf versterkend, verarmend mechanisme in gang te zetten. Hun intentie om een goede schatting van de “marktwaarde” van de verplichtingen te verkrijgen, kan anders worden vormgegeven.

      Voorstel ter verbetering

      Ons voorstel is de huidige regel te vervangen, dat de verplichtingen contant moeten worden gemaakt met een sterk fluctuerende rentevoet en daardoor het heilloze mechanisme uit te schakelen, dat het benoemen van deze rentevoet tevens de ongeschiktheid ervan impliceert. In plaats van een marktrente (bepaald door vraag en aanbod op één bepaald moment, als er al sprake is van een markt), pleiten wij ervoor een rentevoet te hanteren, die een langjarig gemiddelde weerspiegelt. Deze is per definitie minder gevoelig voor vraag en aanbod op één bepaald moment, maar is ook een betere graadmeter van de lange termijn ontwikkeling waar een pensioenfonds wel op moet inspelen.

      Door nu de moedige beslissing te nemen de disconteringswijze te veranderen, kan een hele boel leed voorkomen worden. De dekkingsgraden verbeteren sterk, zodat

      geen draconische bezuinigingen (langjarige kortingen op indexering en zelfs korten van nominale verplichtingen) vereist zijn
      een einde komt aan het heilloze mechanisme waarbij pensioenfondsen met tekorten aandelen moeten verkopen bij reeds dalende koersen en obligaties (of derivaten daarvan) kopen waardoor de rente verder daalt; beide operaties zorgen voor exact dezelfde problemen voor fondsen die tot nu toe nog niet onder de vereiste dekkingsgraad zaten en verergeren het probleem van de fondsen die nu die operaties uitvoeren
      fondsen zich weer kunnen bezighouden met een gezond lange termijn beleid in plaats van een beleid dat is afgestemd op de dagelijkse fluctuaties van de dekkingsgraad en dat er bovendien voor zorgt dat bestaande tendenties (dalende aandelenkoersen, dalende rente) versterkt worden
      voorkomen dat de rentestructuur volkomen ontwricht wordt. Wanneer een substantieel deel van de pensioenfondsen hun renterisico zou verkleinen, wordt een zodanig omvangrijke vraag naar bepaalde obligaties (of hun afgeleide producten) uitgeoefend, dat de rentevoet in de betreffende segmenten van de kapitaalmarkt nog verder en extreem sterk zouden dalen (waardoor genoemd onheilzame mechanisme nog zou worden versterkt). Er is gewoon te weinig beleggingspapier aanwezig (en er zijn te weinig tegenpartijen) om aan die vraag te kunnen voldoen.
      misschien wel het belangrijkste: de verplichtingen een meer voorspelbaar karakter krijgen. Die voorspelbaarheid is niet minder realistisch dan de sterk fluctuerende waarde van de verplichtingen die samenhangt met de eveneens sterk fluctuerende disconteringsvoet, integendeel. Dit impliceert dat de risicograad van het pensioenfonds geringer is en dus meer ruimte aanwezig is om meer risicovolle activa in de portefeuille te nemen. Dat is hard nodig, aangezien bij rentevoeten tussen 3 en 5% (laat staan lagere) het onmogelijk is te voldoen aan de indexatieambitie.
      Een en ander betekent niet dat het nFTK een nutteloze operatie is geweest, verre van dat. Slechts het fluctuerende karakter van de disconteringsvoet dient zo spoedig mogelijk verwijderd te worden. Dat was vanaf het begin een weeffout, heeft namelijk geen enkele economische betekenis en werkt kunstmatig risicoverhogend.

      Author: Anton van Nunen

    2. Jongeren hebben behoefte aan een leuke baan en een dak boven hun hoofd. Zolang deze primaire behoefte nog niet is ingevuld, kun je geen enthousiasme verwachten voor het inkomen later.

      De verplichting van bestuurders om voor later te zorgen, is ouderwets en saai, het kopen van een huis nu is veel spannender en levert zowel nu als later voordeel op.

      Pensioen Pijn moet weer Plezier worden.

    3. De wereld verandert!

      De laatste tien a twintig jaar is de samenleving en de wijze waarop inkomen vergaard wordt enorm gewijzigd. Meer en meer zijn er tweeverdieners in plaats van eenverdieners.

      Laten we eerlijk zijn, zodra de kinderen de deur uit zijn is de verhouding inkomen versus kosten enorm voordelig. Waarom focussen op vroegtijdig sparen als er in de tweede helft van het werkzame leven zoveel geld in overschot zal zijn?

      Beste manier van pensioensparen is door te zorgen voor zo laag mogelijke vaste lasten op latere leeftijd. Koop vroeg een huis en los dat zeker af voordat je 55 bent. Tot die tijd profiteer je dan ook van de fiscale voordelen welke een hypothecair krediet met zich meebrengt. Vervolgens heb je tien jaar de tijd om een koopsom bij elkaar te sparen, gezien je pensioengat heb je ook recht op de nodige fiscale aftrekposten en het is geld wat je gemakkelijk kunt missen want het is in de plaats van de hypothecair krediet.

      Voor de beter bedeelden onder ons: Koop geen pensioen, maar koop een tweede huis welke je vervolgens verhuurt. Dat is zo’n beetje de enige vorm van waardevast investeren met een zekerheid van inflatiecorrectie op de huurinkomsten.
      Deze vorm van inkomen is tevens overdraagbaar na overlijden, zowel in geliquideerde vorm als in maandelijkse vorm …

      Vergeet ook niet dat de overheid degenen met een aanvullend pensioen extra zal gaan belasten .. hopelijk gaan ze dat niet doen op extra bezittingen.
      Mijn ouders hebben een zeer mooi pensioen opgebouwd en hopen daar over enige tijd van te gaan genieten, maar het is niets meer of minder dan een verzekering waar je naar draagkracht aan hebt bijgedragen. Tientallen jaren lang hebben ze vele honderden euro’s per maand bijgedragen. Als ze hier slechts 1 jaar van kunnen genieten, dan is dat wel een heel erg duur jaar gebleken…

      Tot zover de bijdrage van iemand met interesse in de financiële wereld, maar uiteindelijk slechts een leek ;-)

      Ps: ik heb onlangs een tweede huis gekocht (dat kost me onder de streep ongeveer 400 euro per maand)
      Ps2: ik heb afgezien van een collectief pensioen waarbij de lasten verdeeld werden onder werknemer en werkgever

    4. Pensioenfondsen ouderwets?, nee hoor, er werken veel uitgekookte economen. Door de verplichtstelling hebben ze zich een grote paternalisme eigen gemaakt. Een haast direkte verbinding hebben ze met Den Haag, Al die 100-den private fondsen, ± 30.000 die er goed aan verdienen, dat kost wat. De verplichtstelling is chantage met geldroof. Waarom zijn jongeren niet geinteresseerd? Boeien en binden aan het ABP noemt zo´n ABP econoom dat. Zelfs veel van hun eigen mensen zijn slecht op de hoogte zo staat in een PDF bestand. Jonge mensen willen niet geboeid en bebonden worden om de room van het werk ontnomen te worden in de bloei van hun leven, dat kan uitlopen op zo´n 45 jaar. Ze zien het als geldroof en dat is het ook. Als je al het geld terug wilt krijgen, moet je minstens 100 jaar worden. 25% van een pensioen wordt betaald door de solidariteit en de collektiviteit. Mensen die dood zijn en die nog dood gaan betalen daar aan. Het is deels het ontnemen van iemands erfenis. Met dat vooruitzicht staan jongeren echt niet in de rij om aangesloten te willen zijn bij de pensioenfondsen. Zij doorzien de vermoeiende winderige woorden met gekookte lucht. We spreken dan nog niet over het jarenlange wanbeleid, wat velen erg kwaad maakt. De oplossing?: 1 nationaal pensioen, 5 – 10% bij de AOW, in de belastingheffing opgenomen, verplichtstelling alle private fondsen opheffen, een degelijk toezichtapparaat op financieel en ethisch gebied met normen en waarden. Voordelen: geen afkoop kleine pensioenen, geen nadelige waardeoverdracht, minder leningen, geen bonissen en sponseringen, geen 100-den complexe fondsen, geen aasgierbeleggingen, geen wapenindustriebeleggingen, geen tig boeken, vol met voortdurend geschreven vermoeiende woorden met altijd maar wijzigingen, al die kosten, al dat wanbeleid, en zo nog tig te noemen nadelen. Het Noorse en het Engelse pensioenfonds schijnen zo in elkaar te steken. bij wie moeten we daar voor zijn? — Schrijf de politieke partijen krachtig aan, er zijn al gedachten in deze richting waargenomen en laat u niet frustreren. Ondanks het pensioenfondsblok aan mijn been is het mij gelukt om een eigen huis te mogen hebben; een heeeeele goede oudedag voorziening! Pensioenfondsen ouderwets?, denk van niet, maar wel onnodig en overbodig.

    Laat een reactie achter

     
     
    Feedback Form