Loondispensatie vervangt loonkostensubsidie

In het regeerakkoord staat dat het instrument ‘loonkostensubsidie’ wordt vervangen door loondispensatie. Nu hebben werkgevers de keuze tussen loonkostensubsidie vanuit de gemeente en loondispensatie vanuit UWV, terwijl straks alleen loondispensatie overblijft. Hierdoor mag de werkgever de werknemer betalen naar loonwaarde. Voor werkgevers zou dit meer eenvoud betekenen. Het kabinet verwacht dat werkgevers daardoor eerder mensen in dienst nemen met een arbeidsbeperking. Vanuit werknemersperspectief heeft het wel gevolgen. Bij gebruik van loonkostensubsidie, ontvangt de werknemer het minimumloon en bouwt daarover bijvoorbeeld ook pensioen op. De werknemer telt daardoor volwaardig mee en is niet meer afhankelijk van een uitkering. Straks krijgt de werknemer alleen betaald naar zijn loonwaarde. Daarnaast krijgt hij inkomensaanvulling in de vorm van een bijstandsuitkering. Het loon plus de aanvullende uitkering zouden bij voltijds werken moeten leiden tot een inkomen op minimumloonniveau. Voor werknemers die geen recht hebben op een bijstandsuitkering, bijvoorbeeld omdat de partner werkt, geldt dat zij straks ook geen aanvulling krijgen en er dus financieel op achteruit gaan ten opzichte van de regeling loonkostensubsidie.

Het belangrijkste verschil zit in de uitbetaling. De werkgever betaalt de werknemer straks naar loonwaarde, dit kan dus minder dan het wettelijke minimumloon zijn. Mocht de werknemer ziek worden, dan wordt de werkgever voor deze loonkosten gecompenseerd door middel van een ZW uitkering.

Werknemers die nu met loonkostensubsidie werken, verdienen in de regel het minimumloon of net iets daarboven. Daarmee vallen zij binnen de doelgroep voor het Lage-inkomensvoordeel (LIV). Jaarlijks kunnen werkgevers daarvoor een subsidie krijgen van maximaal € 2.000. Met inzet van loondispensatie krijgen de werknemers minder dan het minimumloon betaald en vallen zij buiten de doelgroep voor het LIV.

Het wetsvoorstel wordt na de zomer verwacht.

Reageer