Informatieplicht werkgever bij vroegpensioen

ECLI:NL:GHSHE:2015:1672 , Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , d.d. 12-05-2015

(Gevolgd op tussenvonnis van Gerechtshof, ’s-Hertogenbosch, d.d. 03-06-2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1641)

Het gaat in deze zaak om het volgende.

De heer X, hierna werknemer, geboren in 1949, is op 22 juni 1981 bij de rechtsvoorganger van zijn werkgever in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst was de CAO voor de Technische Groothandel van toepassing (hierna: de cao). Op grond van de cao geldt voor werknemers geboren vóór 1 januari 1950 en op 31 maart 2000 werkzaam in de Technische Groothandel, een VUT-regeling (hierna: VUtech). Daarnaast nam de werknemer op grond van de cao deel aan een vroegpensioenregeling(hierna: VPtech). Volgens het Vroegpensioenreglement gaat het vroegpensioen onmiddellijk in, indien een deelnemer na de vroegpensioendatum, zijnde 61 jaar, niet langer in dienst is van een werkgever in de Technische Groothandel.

Begin 2011 zijn de werkgever en de werknemer gesprekken gaan voeren over de mogelijkheid dat de werknemer uit dienst zou treden en gebruik zou gaan maken van de VUtech. De werkgever heeft het pensioenfonds gevraagd een berekening te maken van de aan de werknemer te verstrekken uitkering indien hij per 1 september 2011 zou stoppen met werken. Na ontvangst hiervan heeft de werkgever op 4 februari 2011 een e-mail gestuurd aan de werknemer met daarbij gevoegd voorlopige berekeningen van het pensioenfonds.

Het betreft twee berekeningen: één “overgangsuitkering gebaseerd op 58,82% van de uitkeringsgrondslag” waarvan de netto uitkering € 1.545,82 bedraagt en één “Voorlopige berekening vroegpensioenuitkering” waarvan de netto uitkering € 358,04 bedraagt.

De werknemer reageert hierop met de volgende mededeling: “Gezien de uitkomst van de berekening kan ik niet met de pre-vut gaan op mijn 62ste levensjaar aangezien mijn lasten door betaling van alimentatie te hoog zijn. Zoals reeds gemeld is mijn doelstelling tot eind 2012 te blijven werken (…)”.

In 2012 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden en de mogelijkheid van vervroegde uittreding nogmaals aan de orde gekomen. De werknemer geeft dan aan dat hij alleen van deze mogelijkheid gebruik wil maken, wanneer hij met die regeling hetzelfde netto inkomen kan behouden. De werkgever biedt alsdan aan dat indien de werknemer gebruik zou gaan maken van de vutregeling, zijn inkomen door de werkgever wordt aangevuld, gedurende 28 maanden gelegen tussen de datum uitdiensttreding en de pensioendatum. De werknemer gaat met het aanbod akkoord en in navolging daarop verstuurd hij de door hem ondertekende formulieren voor de aanvraag van zowel de VUtech én de VPtech.

Echter, als gevolg van het uitdiensttreden is het vroegpensioen uit hoofde van de VPtech-regeling direct ingegaan en wordt verrekend met de VUtech. Hierdoor is echter ook zijn ouderdomspensioen lager.

De werknemer stelt dat primair dat hij schade heeft en subsidiair dat hij heeft gedwaald omdat hij uitsluitend gebruik wenste te maken van de VUtech- en niet van de VPtech-regeling. De in de VPtechregeling opgebouwde uitkering kan worden opgeteld bij het ouderdomspensioen wanneer niet wordt uitgetreden voor het 65ste levensjaar. De werknemer stelt een hoger pensioen nodig heeft in verband met een alimentatieverplichting.

De werkgever stelt dat uit het Vroegpensioenreglement volgt én dat het feitelijk onmogelijk was om de VPtech niet tot uitkering te laten komen. De werknemer wist of had dit kunnen weten c.q. begrijpen.

De rechtbank volgt de werkgever en wijst de vorderingen af.

De werknemer gaat in hoger beroep. Op grond van de devolutieve werking van het appel dient het hof alsnog alle in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van de werkgever te beoordelen, voor zover deze door het slagen van een grief relevant worden. Om die reden zal het hof niet de grieven afzonderlijk bespreken, maar de vordering beoordelen aan de hand van de in eerste aanleg ingenomen stellingen en de daartegen aangevoerde verweren.

De werknemer baseert zijn beroep op dwaling op lid 1 sub b van artikel 6:228 BW, te weten op de stelling dat de werkgever hem had behoren in te lichten over het feit dat ook de VPtech tot uitkering zou komen. Daarvoor is van belang dat de werkgever wist of moest begrijpen dat voor hem van doorslaggevend belang was dat de VPtech niet tot uitkering zou komen.

Aan de werknemer wordt gevraagd het bewijs te leveren dat de werkgever wist dat het de werkgever van doorslaggevend belang was dat de VPtech niet tot uitkering zou komen. Het hof is van oordeel dat tussen partijen niet in geschil is dat de werkgever wist dat het voor de werknemer financieel niet haalbaar was om vervroegd uit te treden zonder regeling. Het gaat er echter de vraag of de werkgever wist dat het voor de werknemer cruciaal was dat de VPtech niet tot uitkering zou komen.

Uit het getuigenverhoor blijkt wel dat de werkgever op de hoogte was van de financiële situatie tot aan de pensioendatum. Aan die wens is door de werkgever tegemoet gekomen. Volgens het Hof volgt hieruit niet dat voor de werkgever wist of kon weten dat het voor de werknemer van doorslaggevend belang was dat de VPtech niet tot uitkering zou komen, waardoor in dat geval ook het pensioeninkomen na pensioendatum niet zou worden verlaagd.

Uit het enkele feit dat de werknemer een alimentatieverplichting had, kon en hoefde de werkgever niet zonder meer te begrijpen of er op bedacht te zijn dat de werknemer in de veronderstelling verkeerde dat hij de VPtech kon bewaren tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Het hof verwerpt het beroep op dwaling en bekrachtigt het vonnis in eerste aanleg.

Reageer