Dit artikel is het derde in een serie over de indexatietoezegging in het DGA pensioen. Voor verschillende situaties analyseer ik de effecten van de indexatietoezegging op het pensioen, de positie van de B.V. en de positie van de DGA zelf.
Lees hier het eerste en het tweede deel van deze serie.
In dit derde deel van de serie ga ik nader in op de indexatietoezegging in de uitkeringsfase van het pensioen. In dit artikel ga ik uit van een voor de DGA gebruikelijke eindloon pensioenregeling, zoals deze door de Belastingdienst wordt gepubliceerd.
De indexatietoezegging in de uitkeringsfase
De model pensioenovereenkomst van de fiscus kent een zogenaamde open index. De tekst luidt als volgt:
“De pensioenen zullen na ingang zoveel mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden.
Voor het indexeren van de pensioenen zal worden uitgegaan van een door het Centraal Bureau voor de Statistiek periodiek gepubliceerd indexcijfer. Uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen zal door werkgever worden beslist welk indexcijfer voor de uitkeringsperiode bepalend zal zijn voor het indexeren van de pensioenen.”
De essentie van de indexatietoezegging in de uitkeringsfase van het pensioen is dat deze bepaling wordt uitgevoerd. Men dient uiterlijk op de pensioendatum vast te stellen bij welk indexcijfer men wenst aan te sluiten.
Eventueel kan ook gekozen worden om de open index om te zetten in een vaste indexatie, mits deze niet hoger is dan 3% (daarboven zal de fiscus het standpunt innemen dat de indexatie onzakelijk is).
Een omzetting van de open index in een vaste index dient uiteraard op zakelijke grondslagen te geschieden. Het verdient dan ook de voorkeur deze omzetting vast te leggen.
Uitvoering indexatie
Jaarlijks dient het pensioenrecht verhoogd te worden met de gekozen index. Op basis van dit herrekende pensioen dient op de balansdatum een nieuwe pensioenverplichting berekend te worden. De fiscale pensioenlast die samenhangt met de indexatie van de pensioenrechten komt pas in de uitkeringsfase tot uitdrukking. In de opbouwfase mag immers geen rekening gehouden worden met toekomstige stijgingen van de uitkeringsverplichting.
Zou men besluiten de jaarlijkse indexatie achterwege te laten, dan kan de fiscus zich gemakkelijk op het standpunt stellen dat de DGA heeft afgezien van (een deel van) zijn pensioen. Het gevolg is een progressieve heffing over de gehele waarde van de pensioenaanspraak ineens, met een revisierente van 20%. Aldus kan in voorkomende gevallen de heffing oplopen tot 72% van de commerciële pensioenvoorziening.
Fiscale aspecten
Zoals gemeld leidt de indexatie in de uitkeringsfase van het pensioen tot extra pensioenlasten in die periode. Veel uitkerende pensioen–B.V.’s hebben te maken met een fiscale verliespositie. De extra pensioenlasten als gevolg van de indexatie vergroten het fiscale verlies. Na verloop van tijd (meestal na 9 jaren) zullen de fiscale verliezen niet langer verrekenbaar zijn en ‘verdampen’.
In sommige gevallen is naast het pensioenvermogen ook nog een vrije reserve aanwezig binnen de pensioen-B.V.. Indien niet voldoende rendement gemaakt wordt (minimaal zo’n 6% op het pensioenvermogen) zal de vrije reserve door de indexatielasten slinken. Het vrije vermogen van de vennootschap gaat op in de pensioenverplichting en zal t.z.t. onderdeel uitmaken van de box 1 belaste pensioenuitkeringen.
Samenvatting
In de uitkeringsfase van het pensioen in eigen beheer zal het indexatierecht leiden tot extra pensioenlasten. Deze lasten leiden effectief niet tot enige aftrek van vennootschapsbelasting indien de vennootschap onvoldoende (beleggings)resultaten behaalt. Voor de DGA zelf leidt de indexatie wel tot verhoging van het belastbare inkomen.




In de uitkeringsfase:
In hoeverre kan indexatie achterwege blijven wanneer er wordt gewezen op een te lage dekkingsgraad; Bijvoorbeeld pensioenfondsen mogen zelfs niet indexeren in zo’n geval.
Zal de fiscus genoegen nemen indien aangetoond wordt dat de commerciële waarde van het pensioen in de BV groter is dan het vermogen.