In kader van IOAW-uitkering verrichte arbeid maakt uitkering geen loon uit tegenwoordige arbeid

X geniet in 2012 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering). In het kader daarvan heeft hij onder andere gemiddeld 20 uren per week werkzaamheden verricht als conciërge bij een scholengemeenschap. De vraag is of de IOAW-uitkering als inkomsten uit vroegere arbeid aangemerkt moet worden of als arbeidsinkomen, zodat X recht heeft op arbeidskorting, doorwerkbonus en een verhoging van de alleenstaande-ouderkorting. De Rechtbank is het niet met X eens dat hij zijn werkzaamheden als verplichte tegenprestatie voor de IOAW-uitkering heeft verricht. De IOAW-uitkering kan niet worden beschouwd als een onmiddellijke tegenprestatie voor verrichte arbeid, omdat de onbeloonde werkzaamheden worden verricht in het kader van sociale activering, dan wel worden opgedragen als tegenprestatie om ‘iets terug te doen’ voor de uitkering. De arbeid is geen voorwaarde om de uitkering te krijgen. Dat X tot de werkzaamheden kan worden verplicht en dat bij niet-nakoming van deze verplichting de uitkering (tijdelijk) geheel of gedeeltelijk op een lager bedrag kan worden gesteld, is volgens de Rechtbank niet relevant.

Reageer