Hoge sectorpremie van toepassing op buitenlandse uitzendkrachten

A een met X verbonden lichaam, exploiteert een aspergeproductiebedrijf. Tot 2014 werden hiervoor jaarlijks een groot aantal seizoenarbeiders geselecteerd en geworven in onder andere Letland en Griekenland. X is op 14 februari 2014 opgericht. In 2014 bestonden haar activiteiten uit het ter beschikking stellen van personeel. In 2014 heeft X 214 uitzendkrachten geworven. Gelet op de start van het aspergeseizoen, werden de uitzendkrachten eerst ingezet bij A. X heeft premies afgedragen op basis van de lage sectorpremie van 0,98% in verband met het loon dat aan de uitzendkrachten is betaald. De Belastingdienst heeft nageheven naar de hoge sectorpremie van 7,58%. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt eveneens met de Belastingdienst dat op het door X aan de uitzendkrachten uitbetaalde loon de hoge sectorpremie van toepassing is. In de met de uitzendkrachten gesloten overeenkomsten staat weliswaar dat zij voor de duur van één jaar in dienst treden, maar andere bepalingen in de overeenkomsten in combinatie met de feitelijke uitvoering daarvan, brengen mee dat geen sprake is van een reële betekenis van de bepaling omtrent de duur van de indiensttreding.
Gelet hierop is niet voldaan aan artikel 2.3, lid 2 Besluit Wfsv, dat handelt over de vaststelling van de sectorpercentages. Voorts oordeelt de Rechtbank dat de Belastingdienst niet het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat X de lage sectorpremie mocht toepassen.

Reageer