Op 23 oktober 2007 is een nieuw staffelbesluit uitgegeven (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212 o.a. te vinden op www.minfin.nl ). Ik heb in een eerder artikel (17 april 2008) stil gestaan bij de uitgangspunten van de opgestelde staffels. In dit artikel zal ik ingaan op het gebruik van de verschillende staffels in de praktijk.
Het besluit kent 4 verschillende staffels.
Staffel 1
Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar. Bij overlijden vóór of ná de pensioendatum vindt er geen uitkering plaats voor de nabestaanden. Staffel 1 bestaat volledig uit een spaarpremie voor de werknemer en kan dus altijd worden gebruikt.
Staffel 2
Er wordt een premie ingelegd die gebaseerd is op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum vindt geen uitkering plaats. Staffel 2 kent naast de spaarpremie voor het ouderdomspensioen dus ook een spaarpremie voor het nabestaandenpensioen ná de pensioendatum. De vraag dient zich aan of je die staffel ook zou mogen gebruiken voor een werknemer zonder partner. Die hoeft immers geen nabestaandenpensioen te verzekeren. Het nabestaandenpensioen ná pensioendatum is een uitruilbaar pensioen (artikel 18d Wet loonbelasting), zodat iedereen kan besluiten het nabestaandenpensioen om te ruilen voor meer ouderdomspensioen. Zowel een werknemer met, als een werknemer zonder partner kunnen dus een premie gebaseerd op staffel 2 ontvangen. Staffel 2 mag derhalve altijd worden gebruikt.
Staffel 3
Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum wordt een tijdsevenredig deel van het te sparen nabestaandenpensioen uitgekeerd. Stel dat een werknemer in 30 jaar een nabestaandenpensioen spaart van € 21.000,- dan wordt per jaar een nabestaandenpensioen opgebouwd van € 700,- uitgekeerd. Komt hij te overlijden na 5 jaar, dan wordt er dus € 3.500,- (5 x € 700,-) uitgekeerd. Staffel 3 bevat ten opzichte van staffel 2 een extra toezegging, het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Deze toezegging komt er ongeveer op neer dat bij overlijden vóór de pensioendatum de nabestaanden het ingelegde geld terugkrijgen om daarmee een nabestaandenpensioen te kopen. Deze redenering is echter iets te kort door de bocht, want je krijgt bij overlijden niet exact je inleg terug. De staffel gaat er vanuit dat je iets meer krijgt. En als je bij overlijden meer krijgt dan dat je hebt gespaard, loopt de verzekeringsmaatschappij een risico en voor dat risico zullen zij een premie vragen. Staffel 3 bestaat dus uit een spaarpremie vermeerdert met een risicopremie. Als ik derhalve deze staffel toezeg aan een werknemer zonder partner, dan geef ik een risicopremie aan een werknemer die dat risico echter nooit zal verzekeren. Als ik die premie dan toch geef, gebruikt die werknemer die premie als extra spaarpremie en dat is niet toegestaan. Om deze reden hebben veel uitvoerders in het verleden afwijzend gereageerd op het gebruik van staffel 3. De Belastingdienst heeft zich echter altijd coulant opgesteld waar het ging om het gebruik van deze staffel. In het nieuwe besluit van 27 oktober 2007 zijn aan het gebruik van de 3e staffel geen voorwaarden verbonden. De conclusie kan dan ook zijn dat staffel 3, hoewel formeel geredeneerd het niet zou kunnen, altijd kan worden toegepast.
Staffel 4
Deze is gelijk aan staffel 3, maar het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum is niet een evenredig deel van het op te bouwen nabestaandenpensioen maar wordt ook bij overlijden vóór de pensioendatum het op te bouwen nabestaandenpensioen (in het voorbeeld € 21.000,-) uitgekeerd. Staffel 4 bevat naast de spaarpremie, net als staffel 3, ook een risicopremie, alleen is die risicopremie in staffel 4 veel hoger dan in 3. Aan het gebruik van de 4e staffel zijn wel uitdrukkelijke voorwaarden verbonden. Staffel 4 mag alleen worden toegepast als daadwerkelijk een risicoverzekering wordt afgesloten en die betaald wordt vanuit de beschikbare premie. Dat betekent dat de staffel niet kan worden gebruikt indien deze wordt toegezegd aan werknemers zonder partner. Omdat veelal sprake is van een collectieve toezegging aan een groep van werknemers kan niet worden uitgesloten dat er werknemers zullen zijn zonder partner. De collectieve toepasbaarheid van staffel 4 is dan ook beperkt tot de situaties waarin voor alle werknemers een nabestaandenpensioen op risicobasis zal worden verzekerd op basis van het onbepaalde partnersysteem.
Premievrijstelling
In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (delen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.
Kostenopslag
Naast premievrijstelling is tevens rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. Als de kosten niet aan de premie worden onttrokken, maar bijvoorbeeld door de werkgever apart worden betaald, dient deze opslag uit de premie te worden gehaald. Hierbij is echter expliciet opgemerkt dat indien een afwijkende opslag wordt gehanteerd, de staffel daar niet op hoeft te worden aangepast. Opmerkelijk is dat deze opmerking wel wordt gemaakt voor een afwijkende kostenopslag, maar niet wordt gemaakt voor een afwijkende opslag voor premievrijstelling. Dat zou betekenen dat indien sprake is van een afwijkend percentage voor premievrijstelling (alle percentages die niet gelijk zijn aan 8%) er een afwijkende staffel moet worden opgesteld. Ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling is. Wees echter voorzichtig in de praktijk, want letterlijke toepassing van het besluit zou wel zo moeten zijn. Bij twijfel is mijn advies dan ook om de staffel even voor te leggen aan de Belastingdienst.
Overlevingstafel
De staffels zijn gebaseerd op een bepaalde levensverwachting, waarbij men is uitgegaan van sterftetafel GBM/GBV 2000-2005. Aan het gebruik van de staffels is op dit punt een uiterst merkwaardige voorwaarde verbonden.
Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbarepremiepercentages dienovereenkomstig verlagen
Omdat veel pensioenregeling uitgaan van de hiervoor bedoelde collectief tafels (Coll 2003) mogen de gepubliceerde staffels niet onverkort worden toegepast, maar dienen te worden gecorrigeerd. Omdat het toepassen van Coll 2003 meer regel dan uitzondering is, denk ik dat iedere staffel moet worden aangepast.




Beste Jan,
je schrijft het volgende:
Premievrijstelling
In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (vermenigvuldigen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.
Je geeft aan dat de opslag ook daadwerkelijk moet worden onttrokken. Wat ik mij afvraag is wanneer er in een contract is afgesproken dat er bijv. 4% PVI opslag wordt gerekend er toch 8% moet worden ingehouden ingeval van een koopsomstorting over diensttijd in het verleden (te laat aan melden). Zo ja, waar is dat vastgelegd?
Het is in mijn beleving namelijk niet fair dat wanneer een werknemer na bijv 2 jaar wordt aangemeld en er is in het contract 4% PVI afgesproken er toch maar 0,92*premie wordt gestort. Hij mist dan 4% tov zijn collega….en hoe zit dat dan met gelijke behandeling?
Ik zie je reactie graag tegemoet.