• Home
  • Bloggers
  • Colofon
  • Contact
  • Pensioencijfers
  • Nuttige websites
  • Pensioen
  • Pencyclopedie
  • Het gebruik van beschikbare premie staffels

    Op 23 oktober 2007 is een nieuw staffelbesluit uitgegeven (Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr. 212 ). Ik heb in een eerder artikel stil gestaan bij de uitgangspunten van de opgestelde staffels. In het besluit zijn verschillende staffels opgenomen. In dit artikel zal ik ingaan op het gebruik van de verschillende staffels in de praktijk. Wanneer mag ik welke staffel gebruiken?

    Het besluit kent 4 verschillende staffels.

    Staffel 1

    Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar. Bij overlijden vóór of ná de pensioendatum vindt er geen uitkering plaats voor de nabestaanden. Staffel 1 bestaat volledig uit een spaarpremie voor de werknemer en kan dus altijd worden gebruikt.

    Staffel 2

    Er wordt een premie ingelegd die gebaseerd is op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum vindt geen uitkering plaats. Staffel 2 kent naast de spaarpremie voor het ouderdomspensioen dus ook een spaarpremie voor het nabestaandenpensioen ná de pensioendatum. De vraag dient zich aan of je die staffel ook zou mogen gebruiken voor een werknemer zonder partner. Die hoeft immers geen nabestaandenpensioen te verzekeren. Het nabestaandenpensioen ná pensioendatum is een uitruilbaar pensioen (artikel 18d Wet loonbelasting), zodat iedereen kan besluiten het nabestaandenpensioen om te ruilen voor meer ouderdomspensioen. Zowel een werknemer met, als een werknemer zonder partner kunnen dus een premie gebaseerd op staffel 2 ontvangen. Staffel 2 mag derhalve altijd worden gebruikt.

    Staffel 3

    Er wordt een premie ingelegd die is gebaseerd op een ouderdomspensioen vanaf 65 jaar en een nabestaandenpensioen als de werknemer komt te overlijden ná de pensioendatum. Indien de werknemer komt te overlijden vóór de pensioendatum wordt een tijdsevenredig deel van het te sparen nabestaandenpensioen uitgekeerd. Stel dat een werknemer in 30 jaar een nabestaandenpensioen spaart van € 21.000 dan wordt per jaar een nabestaandenpensioen opgebouwd van € 700 uitgekeerd. Komt hij te overlijden na 5 jaar, dan wordt er dus € 3.500 (5 x € 700) uitgekeerd. Staffel 3 bevat ten opzichte van staffel 2 een extra toezegging, het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum. Deze toezegging komt er ongeveer op neer dat bij overlijden vóór de pensioendatum de nabestaanden het ingelegde geld terugkrijgen om daarmee een nabestaandenpensioen te kopen. Deze redenering is echter iets te kort door de bocht, want je krijgt bij overlijden niet exact je inleg terug. De staffel gaat er vanuit dat je iets meer krijgt. En als je bij overlijden meer krijgt dan dat je hebt gespaard, loopt de verzekeringsmaatschappij een risico en voor dat risico zullen zij een premie vragen. Staffel 3 bestaat dus uit een spaarpremie vermeerdert met een risicopremie. Als ik derhalve deze staffel toezeg aan een werknemer zonder partner, dan geef ik een risicopremie aan een werknemer die dat risico echter nooit zal verzekeren. Als ik die premie dan toch geef, gebruikt die werknemer die premie als extra spaarpremie en dat is niet toegestaan. Om deze reden hebben veel uitvoerders in het verleden afwijzend gereageerd op het gebruik van staffel 3. De Belastingdienst heeft zich echter altijd coulant opgesteld waar het ging om het gebruik van deze staffel. In het nieuwe besluit van 27 oktober 2007 zijn aan het gebruik van de 3e staffel geen voorwaarden verbonden. De conclusie kan dan ook zijn dat staffel 3, hoewel formeel geredeneerd het niet zou kunnen, altijd kan worden toegepast.

    Staffel 4

    Deze is gelijk aan staffel 3, maar het nabestaandenpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum is niet een evenredig deel van het op te bouwen nabestaandenpensioen maar wordt ook bij overlijden vóór de pensioendatum het op te bouwen nabestaandenpensioen (in het voorbeeld € 21.000) uitgekeerd. Staffel 4 bevat naast de spaarpremie, net als staffel 3, ook een risicopremie, alleen is die risicopremie in staffel 4 veel hoger dan in 3. Aan het gebruik van de 4e staffel zijn wel uitdrukkelijke voorwaarden verbonden. Staffel 4 mag alleen worden toegepast als daadwerkelijk een risicoverzekering wordt afgesloten en die betaald wordt vanuit de beschikbare premie. Dat betekent dat de staffel niet kan worden gebruikt indien deze wordt toegezegd aan werknemers zonder partner. Omdat veelal sprake is van een collectieve toezegging aan een groep van werknemers kan niet worden uitgesloten dat er werknemers zullen zijn zonder partner. De collectieve toepasbaarheid van staffel 4 is dan ook beperkt tot de situaties waarin voor alle werknemers een nabestaandenpensioen op risicobasis zal worden verzekerd op basis van het onbepaalde partnersysteem.

    Premievrijstelling

    In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (delen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.

    Kostenopslag

    Naast premievrijstelling is tevens rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. Als de kosten niet aan de premie worden onttrokken, maar bijvoorbeeld door de werkgever apart worden betaald, dient deze opslag uit de premie te worden gehaald. Hierbij is echter expliciet opgemerkt dat indien een afwijkende opslag wordt gehanteerd, de staffel daar niet op hoeft te worden aangepast. Opmerkelijk is dat deze opmerking wel wordt gemaakt voor een afwijkende kostenopslag, maar niet wordt gemaakt voor een afwijkende opslag voor premievrijstelling. Dat zou betekenen dat indien sprake is van een afwijkend percentage voor premievrijstelling (alle percentages die niet gelijk zijn aan 8%) er een afwijkende staffel moet worden opgesteld. Ik kan me niet voorstellen dat dit de bedoeling is. Wees echter voorzichtig in de praktijk, want letterlijke toepassing van het besluit zou wel zo moeten zijn. Bij twijfel is mijn advies dan ook om de staffel even voor te leggen aan de Belastingdienst.

    Overlevingstafel

    De staffels zijn gebaseerd op een bepaalde levensverwachting, waarbij men is uitgegaan van sterftetafel GBM/GBV 2000-2005. Aan het gebruik van de staffels is op dit punt een uiterst merkwaardige voorwaarde verbonden.

    Als de pensioenverzekeraar en de werkgever na onderhandelingen een collectief tarief zijn overeengekomen waarbij men uitgaat van lichtere sterftegrondslagen, moet de werkgever de beschikbarepremiepercentages dienovereenkomstig verlagen

    Omdat veel pensioenregeling uitgaan van de hiervoor bedoelde collectief tafels (coll. 2003) mogen de gepubliceerde staffels niet onverkort worden toegepast, maar dienen te worden gecorrigeerd. Omdat het toepassen van coll. 2003 meer regel dan uitzondering is, denk ik dat iedere staffel moet worden aangepast.

    Staffels

    De staffels voor de verschillende leeftijden heb ik hieronder in een tabel opgenomen.

    leeftijd staffel 1 staffel 2 staffel 3 staffel 4
    15-20 5,2% 6,3% 7,2% 7,6%
    20-25 5,9% 7,2% 8,2% 9,0%
    25-30 7,2% 8,8% 9,9% 10,8%
    30-35 8,8% 10,7% 12,0% 12,7%
    35-40 10,8% 13,0% 14,4% 15,2%
    40-45 13,1% 15,9% 17,5% 18,3%
    45-50 16,1% 19,5% 21,1% 22,1%
    50-55 19,7% 24,0% 25,6% 26,6%
    55-60 24,4% 29,7% 31,0% 32,0%
    60-65 30,5% 37,2% 37,9% 38,3%

    10 Reacties op “Het gebruik van beschikbare premie staffels”

    1. Beste Jan,

      je schrijft het volgende:

      Premievrijstelling
      In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (vermenigvuldigen). Opgemerkt wordt dat de uitvoerder daadwerkelijk deze opslag aan de premie moet onttrekken.

      Je geeft aan dat de opslag ook daadwerkelijk moet worden onttrokken. Wat ik mij afvraag is wanneer er in een contract is afgesproken dat er bijv. 4% PVI opslag wordt gerekend er toch 8% moet worden ingehouden ingeval van een koopsomstorting over diensttijd in het verleden (te laat aan melden). Zo ja, waar is dat vastgelegd?

      Het is in mijn beleving namelijk niet fair dat wanneer een werknemer na bijv 2 jaar wordt aangemeld en er is in het contract 4% PVI afgesproken er toch maar 0,92*premie wordt gestort. Hij mist dan 4% tov zijn collega….en hoe zit dat dan met gelijke behandeling?

      Ik zie je reactie graag tegemoet.

    2. Lauri, Als ik de regels van de resolutie letterlijk interpreteer, dan dient de staffel te worden aangepast door te delen door de factor 100/92 en daarna te vermenigvuldigen met 100/96. Dit zou ook impliceren dat er een aparte staffel dient te worden gehanteerd voor inhaalkoopsommen. Dat is dan een staffel zonder PVI. In de praktijk blijkt echter dat niet altijd de volledige staffel wordt gehanteerd en dat om wille van eenvoud er niet apart wordt gecorrigeerd voor PVI. Indien er sprake is van een lagere staffel dan de gepubliceerde staffels is dat mijns inziens ook niet noodzakelijk. Voor inhaalkoopsommen kan in die situatie dan ook worden volstaan met het er uit halen van de werkelijke PVI, in die geval dus delen door 100/96.

    3. Jan,

      dank voor je reactie. Wat we in de praktijk echter tegenkomen is dat de beschikbare premie (bsp) die zou zijn opgebouwd gewoon *0,92 wordt gedaan. In plaats van het in het contract afgesproken percentage (4% in het voorbeeld)is. Zeker wanneer het PVI percentage gerelateerd is aan beroepsklassen is het eenvoudiger om 0,92% te hanteren. Echter vanuit het perspectief van de deelnemer, die buiten zijn schuld om te laat is aangemeld door werkgever, is het argument van eenvoud niet te verkopen. Stel dat het in 2 jaar om € 10.000 bsp zou gaan dan kan een verschil van 4% voordeligere contractsPVI voor een verschil van €400,-zorgen. Welk een rendement moet je dan wel niet gaan maken om dat ooit nog in te lopen???

    4. Beste Jan,

      nar aanleiding van dit stuk heb ik een aantal vragen:

      je schrijft:
      Stel dat een werknemer in 30 jaar een nabestaandenpensioen spaart van € 21.000,- dan wordt per jaar een nabestaandenpensioen opgebouwd van € 700,- uitgekeerd.

      vraag:
      opgebouwd van € 700,- uitgekeerd….klopt het wel dat daar uitgekeerd staat?

      je schrijft:
      Deze redenering is echter iets te kort door de bocht, want je krijgt bij overlijden niet exact je inleg terug. De staffel gaat er vanuit dat je iets meer krijgt. En als je bij overlijden meer krijgt dan dat je hebt gespaard, loopt de verzekeringsmaatschappij een risico en voor dat risico zullen zij een premie vragen.

      vragen:
      A Dit heeft dus met de WTV datum te maken, toch?
      B kan het ook zijn dat de deelnemer iets minder krijgt (90%) en daarvoor een negatieve risicopremie krijgt?
      C Hoe zit het met een verzekerde nabestaande rente op risicobasis. In de beginjaren is die restitutie te weinig om een goed NP voor aan te kopen. Kan je deze dan ook bij de staffel verzekeren? en wordt de premie altijd uit de bsp gehaald of kan het ook on top?
      Wanneer de premie uit de bsp wordt gehaald houdt de verzekeraar dan ook rekening met de opbouw die al plaatsvindt, waardoor er minder premie betaald hoeft te worden? Of krijgt de nabestaande dan zowel de restitutie als de rente uitgekeerd?

      In het geval van geen nabestaande vervalt de restitutie dan aan de werkgever?

      ik zie je reactie op mijn vragen over staffel 3 graag tegemoet.

    5. In de staffels wordt uitgegaan van een opslag voor premievrijstelling van 8%. Indien er geen premievrijstelling wordt verzekerd, dient de staffel te worden aangepast met de factor 100/92 (vermenigvuldigen). Als ik echter uit een te hoge premie (van 108%) de 8% opslag (op de basis, 100%) onttrek, dien ik dat toch te doen met een vermenigvuldiging met 100/108 ? Als ik vermenigvuldig met 100/92, dan VERHOOG ik een premie met meer dan 8%. Zou ik de staffel vermenigvuldigen met 92/100 gaat het ook mis, want dan onttrek ik weer meer dan 8%.

    6. Wim, je hebt helemaal gelijk (2x) Allereerst moest in het artikel natuurlijk staan dat er gedeeld moet worden (zie ook reactie aan Lauri). Ik heb het nu ook aangepast in het artikel. Verder heb je gelijk dat het dan nog niet klopt. Alleen daar kan ik weinig aan doen, want dat is de methode die in de resolutie staat beschreven. Ik heb de factor 100/92 niet bedacht. We moeten het er dus mee doen.

    7. dames en heren

      PVI is altijd een opslag uitgedrukt als een percentage van de brutopremie. Omdat de brutopremie wordt vrijgesteld

      Beredeneer maar na: de nettopremie bedraagt 92euro en de brutopremie 100. Dan is de pvi 8% van de brutopremie
      en niet de nettopremie bedraagt 100 en de brutopremie bedraagt 108. Dan is de opslag geen 8% van de brutopremie maar lager

      Daarom is de factor 100/92 bij deze staffels van belang. Als je de pvi er uit wil halen haal je er gewoon 8% af of je vermenigvuldigt met een factor 0,92.

      Andere smaken zijn er niet.

      Er dient onderscheid gemaakt te worden in opslagen van de nettopremie(koopsom) en opslagen van de brutopremie(koopsom). Bij opslagen van de nettotarieven is de factor altijd 100+x/100. Bij opslagen van de brutopremie(koopsom) is de opslag altijd (100/100-x)

      Groeten van een actuarieel geschoolde

    Laat een reactie achter

     
     
    Feedback Form