Het door KLM gemaakte leeftijdsonderscheid bij verhoging van de pensioenleeftijd van 56 naar 58 jaar is objectief gerechtvaardigd.

Acht vliegers hebben KLM en De vereniging van Nederlandse verkeersvliegers (VNV, de werknemersvereniging die partij was bij de cao voor KLM-vliegers op vleugelvliegtuigen, hierna te noemen de cao) in rechte betrokken. Zij zijn van mening dat met de per 1 januari 2015 geldende cao in strijd wordt gehandeld met het verbod op leeftijdsdiscriminatie door de pensioenleeftijd in vier stappen te verhogen van 56 naar 58 jaar en hen daarvan vanwege hun leeftijd uit te sluiten. De vliegers zouden ook tot hun 58e willen doorvliegen en stellen benadeeld te worden ten opzichte van hun jongere collega’s.

Middels een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst is de cao op de vliegers van toepassing. In die cao staat dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval eindigt op de 56e verjaardag van de vlieger respectievelijk de verhoogde leeftijd die voortvloeit uit artikel 5.8, ingeval van verminderde productie en deeltijdpensioen.

Met ingang van 1 januari 2015 geldt een nieuwe cao, waarin o.a. is geregeld dat de pensioenontslagleeftijd stapsgewijs wordt verhoogd van 56 jaar naar 58 jaar. Daarbij geldt een overgangsregeling waarbij de mate van individuele verhoging afhankelijk is van de geboortedatum van de vlieger.

Voor zeven eisers blijft de datum van verplichte pensioenontslag gelijk, voor één eiser is deze met 6 maanden verhoogd. In de cao is ook een loonoffer overeengekomen teneinde een kostenbesparing voor KLM te realiseren. Sinds 2016 levert de vliegers die bijvoorbeeld 6 maanden langer doorvliegt, in gelijke tred, voor 6 maanden pensioenpremietoelage in.

KLM en VNV erkennen dat met de overgangsregeling een onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt, maar voeren aan dat dit objectief gerechtvaardigd is.

Beoordeling
In de kern genomen is in geschil of het in de overgangsregeling gemaakte leeftijdsonderscheid bij de verhoging van de pensioenleeftijd van 56 naar 58 jaar (te weten in vier stappen in plaats van ineens) objectief gerechtvaardigd is.

Op grond van de Wgbl geldt het opgenomen verbod van leeftijdsonderscheid niet indien dit objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Daarbij geldt dat de bewijslast van de objectieve rechtvaardiging op KLM (en VND) rust.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 oktober 2004 (NJ 2005/117) geoordeeld dat pensioenontslag voor vliegers bij KLM bij het bereiken van de 56-jarige leeftijd objectief gerechtvaardigd is. Dit is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (NJ 2012/547). Hoewel de rechtsvraag in dat arrest anders was, waren de doelen die KLM en VNV voor het gemaakte onderscheid stelde en die door de Hoge Raad legitiem werden geacht, dezelfde als die thans naar voren zijn gebracht. Verder heeft het College voor de Rechten van de Mens zich in een uitspraak van 27 september 2016 over de overgangsregeling en derhalve over een soortelijk geval uitgelaten en daarbij geoordeeld dat het door KLM gemaakte leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is. Echter, omdat de vliegers hebben aangegeven het hiermee niet eens te zijn, zal de kantonrechter zelfstandig beoordelen of het in de overgangsregeling gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd is

Doel
Het belangrijkste doel wat met de stapsgewijze verhoging nagestreefd wordt is een gezond doorstroombeleid met een spreiding van de stagnatie onder de jongere vliegers. Wanneer de pensioenleeftijd wordt verhoogd zijn er vliegers die later met pensioen gaan. Bij een ongewijzigde vraag naar vliegers beperkt dit per definitie de in- en doorstroom van de jongere vliegers. Daar komt bij dat KLM en VNV gemotiveerd hebben gesteld dat het beloningssysteem bij KLM gebaseerd is op senioriteit en dat er sprake van een cascade-effect. Bij elke promotie gaan de vliegers op grote vliegtuigen vliegen, hetgeen gepaard gaat met een inkomensverhoging en dus hogere pensioenopbouw. Het cascade-effect houdt in dat als een vlieger met pensioen gaat, er vijf tot zes jongere vliegers doorstromen naar een hogere positie met een hoger salaris.

De reden om de pensioenleeftijd niet ineens maar stapsgewijs te verhogen is dat de doorstroom niet teveel en niet schoksgewijs stagneert en dat de inkomsten- en pensioenverwachtingen van de jongere vliegers niet te zeer worden geschaad. De kantonrechter acht dit een legitiem doel, waarbij zij van belang acht dat de oudere vliegers – die van meet af aan een pensioenleeftijd van 56 voorgehouden hebben gekregen en wiens verwachtingen dus niet worden geschaad- in een tijd van groei hebben gevlogen en dus om die reden snel zijn doorgestroomd. Ook de conjunctuur speelt volgens de kantonrechter een rol bij de doorstroomsnelheid van de vliegers. Jongere vliegers hebben die snelle doorstroommogelijkheden mogelijk niet en hun doorstroom stagneert hoe dan ook vanwege de verhoging van de pensioenleeftijd. Dit is volgens de kantonrechter des te prangender nu zij – doorgaans afkomstig van de KLM luchtvaartschool- met een buitengewoon hoge studieschuld moeten wachten totdat er een plaats vrijkomt als vlieger. De goede doorstroom met de bijbehorende gespreide stagnatie onder de jongere vliegers kwalificeren dan ook volgens de kantonrechter als een legitiem doel.

Middel
Het middel van de overgangsregeling acht de kantonrechter passend en noodzakelijk om het aldus legitiem bevonden doel te bereiken. Door de stapsgewijze verhoging van de pensioenleeftijd wordt immers bereikt dat de doorstroom niet al te zeer en ineens stagneert. De kantonrechte acht het middel ook proportioneel en oordeelt dat KLM en VNV de belangen van de vliegers in de verschillende leeftijdscategorieën zorgvuldig hebben afgewogen. Zeven eisers hebben immers geen en slechts een eiser heeft een beperkte loonoffer hoeven te brengen, terwijl hun jongere collega’s die wel langer mogen doorwerken, in gelijke tred met het aantal maanden dat zij mogen doorwerken,  hun pensioenpremietoelage moeten inleveren.

De vliegers betogen nog dat de verhoging van de pensioenleeftijd facultatief had moeten worden gemaakt, maar dan zou de stagnatie in volle omvang plaatsvinden, omdat alle vliegers dan voor doorvliegen zouden hebben gekozen. KLM wordt nog verweten dat zij geen enquête heeft gehouden onder de vliegers. Ook dat acht de kantonrechter onterecht, nu de overgangsregeling onderdeel uitmaakt van collectieve onderhandelingen, waarbij VNV voor de werknemersbelangen en dus ook voor de vliegers is opgekomen. Ook het aangedragen alternatief om de KLS-opleiding kosteloos aan te bieden aan leerling-piloten biedt geen soelaas omdat KLM nu juist, zoals tussen partijen vast staat, moet bezuinigen. Ook het beroep op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 september 2015 (JAR 2015/184), dat er sprake is van een verkapte reorganisatie en dat KLM in strijd met het afspiegelingsbeginsel handelt, gaat volgens de kantonrechter mank, nu de vliegers tegenover het door KLM gevoerde verweer niets hebben gesteld waaruit blijkt dat er sprake is van een reorganisatie.
Rechtbank Amsterdam 27 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4589

 

Reageer