Heffing bij op vordering BV bijschrijven van stamrechtuitkering(en)

Het Gerechtshof Den Bosch heeft zich in zijn uitspraak van 7 september 2017 (16/03590 en 16/03591) uitgesproken over de vraag of een stamrechtuitkering die niet feitelijk wordt uitgekeerd, maar wel wordt bijgeschreven op de vordering op een BV in fiscale zin wel of niet is ‘genoten’. Het ging daarbij in het specifieke geval om het volgende.

In 1990 heeft de echtgenoot van belanghebbende X zijn onderneming ingebracht in een BV. Bij die inbreng is voor de stakingswinst een stamrechtovereenkomst gesloten. De BV zou met ingang van 21 maart 1991 – op het leven van X en haar echtgenoot – een levenslange uitkering per jaar gaan doen aan de echtgenoot en belanghebbende. Na het overlijden van de echtgenoot in 2000 zijn de stamrechtuitkeringen voor X bijgeschreven als vordering op de BV. Eind 2007 beschikte de BV niet meer over voldoende vermogen om de vordering van X af te lossen en daarnaast nog stamrechtuitkeringen te doen. Toch is in de jaren 2008 tot en met 2011 jaarlijks de volledige stamrechtuitkering bijgeschreven op de vordering die X had op de BV. Voor wat betreft die vordering zijn in het verleden onjuiste aangiften IB/PVV gedaan. Toen de adviseur daar achter kwam, heeft hij verzoeken om ambtshalve vermindering gedaan bij de inspecteur. Hij meende dat ten onrechte belasting was geheven over het nominale bedrag van de stamrechtuitkering.
De bezwaartermijnen waren inmiddels allemaal verstreken. De inspecteur is niet tegemoetgekomen aan de verzoeken om ambtshalve vermindering en heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de uitspraken van de inspecteur is X in beroep gegaan. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep op 29 juni 2016 (AWB – 16/81) ongegrond. Hiertegen is X in hoger beroep gekomen bij het Hof Den Bosch.

In hoger beroep was in geschil of X stamrechtuitkeringen heeft genoten in de jaren 2010 en 2011. Als zo is, dan is de vervolgvraag wat de waarde van de genoten stamrechtuitkeringen in die jaren is. Het Hof heeft voorop gesteld dat met betrekking tot het genieten van stamrechtuitkeringen artikel 3.146 lid 1 Wet IB 2001 van toepassing is. Volgens het hof heeft X in 2010 en 2011 stamrechtuitkeringen genoten, omdat die uitkeringen in beide jaren vorderbaar en inbaar waren. Bovendien zijn de uitkeringen in die jaren rentedragend geworden, omdat ze zijn omgezet in een vordering op de BV. Daarbij maakt het niet uit dat er eind 2010 en eind 2011 onvoldoende activa in de BV aanwezig waren om de stamrechtuitkeringen aan X uit te betalen. In navolging van de rechtbank, is het hof van mening dat de niet in geld genoten stamrechtuitkeringen moeten worden gewaardeerd op de prijs die een onafhankelijke derde voor het recht op de stamrechtuitkering(en) zou willen betalen. Uitgaande van de balanspositie van de BV en de bestaande onderdekking moet de waardering van de stamrechtuitkeringen worden gebaseerd op de bestaande dekkingsgraad van de vordering op de BV. Daarbij mag dan rekening worden gehouden met een ‘discount’ van 10%. Omdat de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 volgens het hof tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, moeten die aanslagen uiteindelijk worden verminderd. Het hof heeft het hoger beroep dan ook gegrond verklaard.

Reageer