Grondslag intrekking bijstand; vaststelling gezamenlijk hoofdverblijf ontbreekt

X  ontving vanaf 14 oktober 2002 bijstand voor een alleenstaande. De gemaakte kosten van bijstand zijn van X teruggevorderd. Hieraan heeft het College van B&W ten grondslag gelegd dat X een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met Y. De vraag is of X en Y in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2012 een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, lid 3, WWB. De CRvB heeft vooropgesteld dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar d.m.v. het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Volgens de CRvB heeft het College voldaan aan de bewijslast dat sprake is van een gezamenlijke huishouding vanaf mei 2010. Aan dit oordeel heeft hij ten grondslag gelegd dat er zorg was van Y voor X in de vorm van het beschikbaar stellen van zijn woning en computer, en ook zorg van X voor Y. Daarom bestaat er geen toereikende grondslag voor de intrekking van de bijstand van X over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2010, aldus de CRvB. In cassatie wordt volgens de Hoge Raad terecht gesteld dat de CRvB een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het in artikel 3, lid 3, WWB gehanteerde begrip ‘gezamenlijke huishouding’. De CRvB heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat sprake was van wederzijdse verzorging, maar heeft niet vastgesteld of, en zo ja vanaf welke datum, X en Y hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Volgens de Hoge Raad berust de beslissing op een onjuiste maatstaf. De zaak is teruggewezen om vast te stellen of, en zo ja vanaf welke datum, X en Y hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden (HR 16 februari 2018, nrs. 17/02508 en 17/02505).

Reageer