Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doet verjaringsdiscussie opnieuw oplaaien.

Reeds eerder schreef ik dat over de verjaringstermijn van pensioenpremies bij een verplichte aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds met terugwerkende kracht veel te doen is geweest. Met de uitspraken van Rechtbank Noord-Nederland d.d. 15 juni 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:2905) en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 7 juni 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2294) leek het oorspronkelijke uitgangspunt weer hersteld. Op deze verjaring is artikel 3:308 BW van toepassing, zodat de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt. Deze termijn vangt aan, zo oordeelden Rechtbank en Gerechtshof vanaf het moment van verplichte aansluiting. Voor het aanleveren van gegevens en een verklaring voor recht omtrent het moment van aansluiting geldt artikel 3:306 BW en derhalve een verjaringstermijn van 20 jaar. Dit omdat het pensioenfonds er belang bij heeft om zo goed mogelijk de rechten van de deelnemers te kunnen bepalen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden komt nu echter met een hiervan afwijkend oordeel. Wat was er aan de hand? Werkgever valt onder de werkingssfeer van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Het uitvoeringsorgaan heeft dit op 6 augustus 2013 geconstateerd. Op 14 januari 2014 verzendt het pensioenfonds ambtshalve nota’s. De aansluitverplichting gaat terug tot 2004. Werkgever stelt zich derhalve op het standpunt dat de premies over de periode 2004 – 2008 zijn verjaard. Het pensioenfonds kan zich hierin niet vinden. Het Gerechtshof volgt de werkgever hier ook niet in.

Het Hof heeft hiervoor de volgende redenering.
In artikel 7 van het Uitvoeringsreglement is bepaald dat de premie per loontijdvak wordt vastgesteld. Het betreft derhalve een periodieke vordering. Bij gebreke van een voor pensioenen bijzondere verjaringstermijn, is daarop de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:308 BW van  toepassing. Ingevolge dit artikel vangt de verjaring aan na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Dit artikel stelt niet de voorwaarde dat de schuldeiser bekend moet zijn met (de omvang va) de vordering en/of de opeisbaarheid daarvan.

Ingevolge artikel 6:38 BW dient een verbintenis indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, terstond te worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd. Op grond van artikel 7 lid 1 Uitvoeringsreglement betaalt de werkgever de verschuldigde premie aan het pensioenfonds per loontijdvak. Het pensioenfonds stuurt hiervoor een nota. De premie dient uiterlijk betaalt te zijn binnen veertien dagen nadat het fonds de nota heeft verzonden. Als de werkgever de verplichting op grond van artikel 9 Uitvoeringsreglement om de werknemers aan te melden en de benodigde gegevens te verstrekken niet nakomt, is het pensioenfonds op grond van artikel 10 Uitvoeringsreglement bevoegd om de premie naar beste weten vast te stellen, aan welke vaststelling de werkgever is gebonden. Op grond van lid 4 van artikel 7 moet de werkgever de op deze wijze vastgestelde premie aan het pensioenfonds te betalen. Tot slot bepaalt artikel 8 Uitvoeringsreglement dat de werkgever door het enkele verloop van de betalingstermijn in verzuim is. Op grond van deze bepalingen bepaalt het Uitvoeringsreglement een tijd voor nakoming, waardoor 6:38 BW toepassing mist.

Op grond van het bepaalde in het Uitvoeringsreglement overweegt het Gerechtshof vervolgens dat de premieberekeningen eerst opeisbaar zijn geworden op 28 januari 2014 na het verstrijken van de betalingstermijn. De verjaringstermijn vangt daarom aan op 29 januari 2014 en op grond daarvan is geen sprake van verjaring.

Conclusie
Gezien bovenstaande is het zaak dat de Hoge Raad nu snel duidelijkheid brengt hoe omgegaan moet worden met de verjaring van pensioenpremies bij een aansluiting bij een verplicht gesteld pensioenfonds met terugwerkende kracht. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3886

Reageer