Fout adviseur: voordeelstoerekening onredelijk

De man heeft in 1988 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij. De uitkering bedroeg in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid f. 44.056,- per jaar (rubriek A) en in de daarop volgende jaren        f. 22.956,- per jaar (rubriek B). Deze uitkeringen zouden jaarlijks geïndexeerd worden. Eind 1991 heeft de tussenpersoon aan de man geadviseerd zijn arbeidsongeschiktheids-verzekering aan te passen met een pensioenvoorziening. De man heeft dit advies opgevolgd. Op 1 december 1991 heeft hij zijn nieuwe polis ontvangen. Verzekerd was een bedrag van f 156.623-, uit te keren vanaf 1 december 2013 of bij overlijden alsmede f 23.400,– aan jaarlijkse rente ingeval van arbeidsongeschiktheid vóór 25 oktober 2008. Tevens is in 1991 een lijfrentekapitaal verzekerd van € 71.072,- die op 1 december 2013 tot uitkering komt. De man is op 18 maart 2002 arbeidsongeschikt geworden. In het eerste jaar ontving hij een uitkering conform rubriek A van de eerste polis. Vanaf het tweede jaar ontving hij een uitkering op basis van de 2e polis, welke uitkering niet jaarlijks geïndexeerd wordt. De man stelt de tussenpersoon aansprakelijk voor de schade (verschil ontvangen uitkering en de uitkering die bij indexering behaald zou zijn).

De rechtbank oordeelt dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de aan hem geadviseerde constructie op alle punten ten minste evenveel dekking bood als de oude polis en dus ook op het punt van de omvang van de uitkeringen vanaf het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid. De adviseur is dan ook te kort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen door bij de man de verwachting te wekken dat indexering van de uitkering bij arbeidsongeschiktheid zou plaatsvinden. De schade die de man lijdt bedraagt € 77.321,65 euro. Het beroep op artikel 6:100 BW (voordeelstoerekening), dat op de schade de levenuitkering van € 71.072,– in mindering gebracht zou moeten worden wordt afgewezen, omdat er geen sprake is van dezelfde gebeurtenis.

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de voordeelstoerekening. Artikel 6:100 luidt: Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht. Het Hof oordeelt dal al zou er sprake zijn van ‘dezelfde gebeurtenis’ dan kan het nog niet tot verrekening leiden omdat die verrekening niet redelijk is. Immers, toewijzing van de verrekening zou ertoe leiden dat de man minder uitkering zou ontvangen dan waarop hij had mogen rekenen zonder de beroepsfout, terwijl vaststaat dat de beroepsfout tot grote schade heeft geleid. Bovendien hebben de verschillende uitkeringen verschillende doelstellingen en komen zij op verschillende tijdstippen tot uitkering. Ook is voor beiden afzonderlijk premie betaald. Ook op die grond is het volgens het Hof niet juist de pensioenuitkering in mindering te brengen op de uitkering bij arbeidsongeschiktheid.

Reageer