Een toekomstbestendig pensioenstelsel: kunnen we de impasse doorbreken?

Al bijna 9 jaren zijn deskundigen uit de sector, toezichthouders, ambtenaren van SZW, leden van de SER en de politici bezig om een pensioenstelsel te ontwikkelen dat robuust en toekomstbestendig is. Maar tot op heden heeft dat niet geleid tot iets wat werkbaar en/of acceptabel is. En onze verwachting is dat de huidige plannen uiteindelijk ook niet het gewenste resultaat zullen opleveren.

Wat opvalt bij alle voorstellen is dat deze enerzijds veelal onnodig complex zijn en anderzijds als aanvulling worden geïntroduceerd op de reeds bestaande regelingen. Dat leidt tot nog meer complexiteit en maakt het veld nog onoverzichtelijker en minder beheersbaar. Voor aanbieders, toezichthouders, overheid, werkgevers en last but not least de deelnemers zelf.

En onderwijl legt de toezichthouder aan het bestaande stelsel allerlei goedbedoelde, tussentijdse noodverbanden aan, die de regelingen nog complexer maken. Zelfs zodanig ingewikkeld, dat het aan de doorsnee pensioendeelnemer nu helemaal niet meer valt uit te leggen.

Naar onze mening hebben alle partijen die zich tot dusver met het pensioendossier hebben bemoeid inmiddels uit het zicht verloren waar de deelnemer echt behoefte aan heeft: eenvoud en uitzicht op een – in relatie tot de inleg – redelijk en zo mogelijk waardevast

pensioen. Dit laatste geldt helemaal voor deelnemers met een inkomen van minimumloon tot zeg modaal.

Aan het eind van deze notitie geven wij onze zienswijze op dat nieuwe pensioenstelsel. Maar we bespreken eerst een aantal zaken die in dit kader van belang zijn en wel ten aanzien van overheid, werkgevers en deelnemers.

De overheid verwacht (zelf)redzaamheid van haar burgers, maar laat na daarvoor de meest essentiële randvoorwaarden te creëren. Namelijk:
a. zorg dragen dat iedereen die werkt of met pensioen is, in zijn eigen levensbehoeften kan voorzien. Ook ingeval de inkomsten alleen bestaan uit het minimumloon of een op dat minimumloon gebaseerde pensioenuitkering (inclusief AOW);
b.zorg dragen dat iedere burger kennis heeft van financiële planning of de mogelijkheid heeft daar kennis van te nemen.

Ad a In Nederland zijn we erg goed in het rondpompen van geld; een groot deel van de bevolking komt in aanmerking voor bijvoorbeeld huur- of zorgtoeslag. Naast het feit dat een dergelijk systeem foutgevoelig en misbruikgevoelig is, zijn daar ook veel uitvoeringskosten mee gemoeid. De overheid moet in de komende jaren dan ook prioriteit geven aan een herijking en herinrichting van het sociaal stelsel en het belastingstelsel, waarbij voor een zodanige opzet wordt gekozen dat enerzijds werken interessant blijft. Anderzijds moet het nettominimumloon van een dusdanig niveau worden dat iedereen (op basis van 40 werkuren) ook daadwerkelijk in de eigen (minimale) levensbehoeften kan voorzien zonder van allerlei toeslagen gebruik te hoeven maken.

Ad b De financiële kennis van de burgers is bedroevend laag. Door al in het basisonderwijs en tijdens de verdere vorming en opleiding permanent aandacht te vragen voor financiële planning, kan dit niveau opgeschroefd worden. Verder is de introductie van een onafhankelijk financieel planningsloket een absolute noodzaak voor alle huidige generaties. Dat behoort o.i. de nieuwe hoeksteen te worden van het toekomstig sociaal stelsel. Iedereen die te weinig financiële kennis heeft of zich daarin niet zeker voelt (of dat niet wil), moet daar kunnen aankloppen voor hulp bij het opzetten van een eigen financieel plan en de verdere (periodieke) begeleiding bij het onderhouden daarvan.

Aan de hand van een gedegen analyse van de persoonlijke omstandigheden (leeftijd, inkomen, huwelijkse status, hebben van een woning en/of kinderen, schulden en ambitie) en met behulp van de toenemende mogelijkheden van fintech en big data kunnen dan passende opties worden voorgehouden om later te kunnen beschikken over een adequate, financieel gezonde oudedagsvoorziening. Maar de deelnemer kiest. Die kant moeten we uit.

Bij de werkgevers is de animo om van pensioen iets moois te maken sterk verminderd door de oplopende pensioenpremies en (veelal verplichte) bijstortingen die sinds 2008 hebben plaatsgevonden. “Pensioen staat gelijk aan een hoofdpijndossier en is te duur”; beheersbaarheid van kosten werd troef. Na de overgang van eindloon naar middelloon, bevreemdt het dan ook niet dat na 2008 massaal een vlucht naar beschikbare premieregelingen op gang kwam.

Daar komt bij dat de arbeidsmarkt in rap tempo radicaal is veranderd en blijft veranderen. Iets waarvan de overheid er alsmaar ook niet in slaagt om daar adequate bijsturing aan te geven door het creëren van passende randvoorwaarden. Arbeidsrechtelijk lijkt de gemiddelde werknemer met een tijdelijk contract op een wegwerpartikel. En ook bij de vaste arbeidsovereenkomsten is naar onze mening het gewenste evenwicht tussen vragende een aanbiedende partij omgeslagen in een verhouding waar je – om te mogen blijven – meer moet presteren en bijdragen dan volgens de normale menselijke maat. Gevolg: toenemende werkdruk, baanonzekerheid en burn-out met alle gevolgen van dien.

Door de aanhoudende en voortschrijdende digitalisering, automatisering en robotisering zullen medewerkers zich telkens opnieuw moeten uitvinden en bij- en omscholen om aan het werk te kunnen blijven. Dat vraagt nadrukkelijk om een visie van werkgevers en bonden, en een compleet nieuwe blauwdruk voor het werkconvenant. In de cao’s, maar ook in elke remuneratiepackage van elke zzp-er en niet-cao gebonden werknemer moeten middelen om aanpassing van kennis en vaardigheden en verandering van werk mogelijk te maken nadrukkelijk een eigen plaats krijgen. Bij voorkeur in de vorm van geoormerkte afdrachten van werkgevers richting nieuw sociaal stelsel waar een nieuw in het leven te roepen gespecialiseerde afdeling werknemers begeleidt bij de transitie naar bij zijn/haar talenten en (nieuw) aan te leren vaardigheden passend ander werk. Voordeel van deze vorm van uitbesteding is dat werkgevers zich zo kunnen laten ontzorgen. Vraag is, of we die kant misschien ook uit moeten met het aanvullend pensioen.

Richting de deelnemers moet op pensioenvlak in elk geval door overheid en werkgevers en alle andere bij aanvullend pensioen betrokken partijen een enorme inhaalslag worden gemaakt. Het vertrouwen moet worden teruggewonnen. Op de eerste plaats kan dat door een stringente vereenvoudiging door te voeren van het stelsel en een eind te maken aan de wildgroei van regelingen. Op de tweede plaats door beter te communiceren c.q. mogelijkheden te bieden om noodzakelijke kennis te vergaren of vragen te kunnen stellen.

Handicap daarbij zal zijn dat door de vanaf 2008 vele en veelal negatieve berichtgeving veel werknemers murw zijn gemaakt om nog enige vorm van betrokkenheid op te kunnen brengen voor hun pensioen. Het gros van de deelnemers wil niets meer over pensioen horen (slaan berichten over) of uit pure frustratie niets meer van weten (ze maken de post niet eens meer open). Bij anderen (veelal jeugd) is er sprake van berusting: we zien wel een keer tegen de tijd dat het zover is en dan hopen we dat er dan nog wat in de pot zit. Last but not least hebben we ook nog eens te maken hebben met deelnemers die al voor 2008 voor 80-90% als pensioenonbewust werden gekenmerkt en er helemaal geen jota van snappen.

Velen daarvan maken deel uit van het contingent van de meest kwetsbare deelnemers. Dat zijn degenen die een pensioengevend salaris ‘genieten’ variërend van minimumloon tot modaal. Een groot gedeelte van deze mensen heeft het nu al moeilijk om maandelijks de financiële eindjes aan elkaar te knopen en zullen na pensioeningang toch weer ten minste zo’n 10% aan besteedbaar inkomen moeten inleveren. Zij hebben weinig tot niets waar ze op kunnen terugvallen. Willen we hen stigmatiseren door ze afhankelijk te maken van overheidstoeslagen, -subsidies en de voedselbank? Is de kloof tussen de have en de have nots nog niet groot genoeg?

Dat moeten we zo toch niet willen? Dat moet toch anders kunnen?

Is het veld en de politiek er zich wel van bewust dat de helft van alle aanvullende pensioenen momenteel minder dan 500 Euro per maand bedraagt? De meest kwetsbare deelnemers zien jaarlijks de eigen bijdragen en ziektekostenpremies stijgen, net als de heffingen op energie in het kader van ESG. Die drukken bij hen heel wat harder door dan bij de boven tweemaal modaal verdieners!

Onze conclusies De huidige voorstellen zullen niet tot het robuuste toekomstbestendige pensioen leiden dat gewenst is. Eenvoud in de oplossingsrichting moet leidend zijn. Daarnaast zoekt een groot deel van de deelnemers naar (zoveel mogelijk) zekerheid. Dit laatste geldt zeker voor de deelnemers met een klein aanvullend pensioen, hetgeen voor circa 50 procent van de deelnemers geldt.

Daarom stellen wij een modelpensioenregeling voor die door alle ondernemingen en in alle Cao’s overgenomen kan worden. Deze basispensioenregeling geldt voor iedere werkende tot (bijvoorbeeld) 1,5 modaal of de maximumgrens sociale premies. Op deze wijze kun je de deelnemer ontzorgen (en overigens ook de werkgever) en speel je tegelijkertijd in op de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt. Jongere generaties houden zo ook na baanverandering gemakkelijker zicht op wat ze opbouwen voor hun oude dag en weten waar ze staan. Deze regeling mag uitgevoerd worden door de huidige uitvoerders in de markt die daarmee met name op prijs en service zich zullen moeten onderscheiden.

Wij zien zo’n gemeenschappelijke basisregeling in beginsel als een DB-regeling, met een gerede kans op indexatie. Reden hiervoor is dat de hoogte van het aanvullend pensioen beperkt is en een wijziging (lees daling) hiervan direct van (grote) invloed is op het levenspeil van de individuele deelnemer. Als alternatief denken we aan een DC-regeling, maar dan één waarbij de risico’s tot een minimum beperkt blijven. De nog weinig benutte optie van een 3e generatie life cycle lijkt dan de moeite waard om nader te bezien in het huidige tijdsgewricht. De deelnemer ontvangt hierin een signaal als de neutrale indicatie van zijn pensioeninleg overstijgt. Hij kan dan tussentijds rechten inkopen om een evt. toekomstig neerwaarts risico af te dekken.

Over het salaris dat hoger ligt dan het maximumniveau uit de basispensioenregeling (excedentregeling) kan iedere werkgever –al dan niet in samenwerking met andere werkgevers in de regio, provincie of branche- een eigen pensioenregeling opzetten. Deze kan/moet in de vorm van een beschikbare premieregeling. Dit moet wel op een fiscaal vriendelijke wijze blijven mogelijk blijven (omkeerregel handhaven).

Laat het aan elke werkende die ook in dat segment valt vrij om zelf te bepalen of hij daaraan deelneemt en hoe hij daar verder mee omgaat. Maar bescherm de deelnemer tegen flexibiliteit in de basisregeling. Want met het doorvoeren van flexibiliteit in dat segment gooi je de essentie van de basisregeling weg: zorgen dat je aan het eind van je werkzame leven over voldoende middelen beschikt om van rond te komen zonder een beroep te hoeven doen op de overheidsruif.

Naast de hierboven omschreven pensioenregeling is het van belang dat de overheid de aanpassingen verricht c.q. tools beschikbaar stelt die wij eerder in deze notitie omschreven hebben: gelijktijdig aanpassen van het sociaal stelsel en het belastingstelsel bij de introductie van het nieuwe pensioenstelsel en verbetering financiële kennis van alle ingezetenen.

Op persoonlijke titel geschreven door Ron van Os (actuaris AG), Gerard van der Toolen RPA (OR –pensioenadviseur) en mr. Ruud Verberne (pensioenfondsbestuurder).

Reageer