DNB: Verlagingen pensioenen soms niet te vermijden

Pensioenfondsen waarvan het korte termijn herstelplan eind vorig jaar is afgelopen en die aan het eind van 2013 nog een dekkingstekort hadden, moeten de pensioenen verlagen, tenzij er andere maatregelen mogelijk zijn. Bepalend is de stand van de dekkingsgraad op 31 december 2013. Latere ontwikkelingen van de dekkingsgraad spelen volgens DNB hierbij geen rol. DNB heeft bekend gemaakt dat naar verwachting 38 pensioenfondsen de pensioenen zullen moeten verlagen.

Een pensioenfonds kan bij een dekkingstekort per eind 2013 een pensioenverlaging alleen vermijden als het fonds een maatregel neemt die omvangrijk genoeg is om het dekkingstekort op te heffen en die bovendien concreet en haalbaar is. Dat laatste betekent dat er vóór 12 februari, als het fonds de evaluatie van het herstelplan moet indienen bij DNB, voldoende garantie moet zijn dat de maatregel uitgevoerd wordt en tot het herstel zal leiden. Een voorbeeld van zo’n maatregel is een gegarandeerde bijstorting door de werkgever(s) van het fonds. Een voorbeeld van een maatregel die DNB niet accepteert, is verschuiving van de peildatum voor het aflopen van het korte termijn herstelplan naar een later tijdstip.

Pensioenfondsen moeten de maatregelen opnemen in de evaluatie van het herstelplan en die evaluatie uiterlijk op 12 februari ter beoordeling bij DNB indienen. Als bij de beoordeling van de evaluatie van het herstelplan blijkt dat er nog steeds sprake is van een dekkingstekort per eind 2013, dan zal DNB, in het belang van de deelnemers, niet aarzelen een formele maatregel op te leggen om deze situatie te beëindigen.

Pensioenfondsen die in de evaluatie van het herstelplan aangeven een pensioenverlaging te moeten doorvoeren per 1 april, ontvangen rond 1 maart het oordeel van DNB over de evaluatie, zodat ze hun deelnemers op tijd over de verlaging kunnen informeren. De overige fondsen met een korte termijn herstelplan worden in het voorjaar door de toezichthouder geïnformeerd.

Reageer