DNB: pensioensector dekt helft van het renterisico af

De belangrijkste oorzaak van het renterisico is volgens DNB dat de beloofde pensioenuitkeringen niet volledig gedekt zijn door verwachte inkomsten uit vastrentende waarden. Ter illustratie: over dertig jaar moeten pensioenfondsen 30 miljard Euro uitkeren en daartegenover staat 13 miljard Euro aan verwachte inkomsten uit de beleggingen in vastrentende waarden en rentederivaten. De overige 17 miljard Euro moeten worden opgebracht uit het rendement op beleggingen in zakelijke waarden, zoals aandelen en vastgoed. Als de rente daalt, dan stijgen de waarde van de verplichtingen én de waarde van de beleggingen in vastrentende waarden en rentederivaten. Echter aangezien de omvang van de verplichtingen groter is dan de omvang van de beleggingen in vastrentende waarden, is het effect van de rentedaling volgens DNB veel groter op de verplichtingen dan op de beleggingen. Hetzelfde geldt omgekeerd als de rente stijgt. Het rekenvoorbeeld van DNB over de afdekking van het renterisico is als volgt: als de rente met 1 procentpunt daalt, dan neemt de waarde van de verplichtingen toe met 155 miljard Euro. De waarde van de beleggingen in vastrentende waarden en rentederivaten neemt in dezelfde situatie toe met 75 miljard Euro. Een rentedaling van 1% resulteert in een verlies van 80 miljard Euro, oftewel een daling van de dekkingsgraad van 7,8 procentpunt, Ter vergelijk, zonder renteafdekking zou de dekkingsgraad met 14,9 procentpunt dalen. Bij een rentestijging van 1 procentpunt gebeurt het omgekeerde. De verplichtingen nemen af met 126 miljard Euro en de beleggingen in vastrentende waarden dalen met 60 miljard Euro. Door dit positieve resultaat van 60 miljard Euro stijgt de dekkingsgraad met 8,7 procentpunt.
Het renterisico wordt volgens DNB dus veroorzaakt doordat pensioenfondsen hun verplichtingen niet volledig door beleggingen in vastrentende waarden en rentederivaten afdekken. Fondsen hebben enerzijds de verplichting de beloofde uitkeringen waar te maken. Alleen als gedurende een langere periode de beleggingen lager zijn dan de verplichtingen, kan het korten van rechten aan de orde zijn. Anderzijds hebben pensioenfondsen de ambitie om de uitkeringen mee te laten stijgen met de verhoging van de prijzen of de lonen. Die verhoging moet vooral worden gerealiseerd uit rendementen op beleggingen in zakelijke waarden. De inkomsten uit nominale obligaties en rentederivaten die pensioenfondsen al bezitten, worden namelijk niet verhoogd met de inflatie. Verwachte rendementen op zakelijke waarden zijn naar verwachting hoger en stijgen deels of geheel mee met inflatie en lonen; deze rendementen kennen echter een grotere spreiding en dus meer onzekerheid.
Het is aan ieder pensioenfonds zelf om te bepalen in welke mate het renterisico wordt afgedekt. Ieder pensioenfonds zal hierbij mede op basis van de eigen fondskarakteristieken zijn eigen afweging moeten maken tussen nominale zekerheid en de indexatieambitie. DNB ziet toe op een zorgvuldige totstandkoming van het rente afdekkingsbeleid en een voldoende beheersing van het renterisico. Nominale zekerheid is volgens DNB te realiseren met beleggingen in vastrentende waarden die de verwachte pensioenuitkeringen dekken. Het aanbod van dit soort producten is voor Nederlandse pensioenfondsen echter beperkt. Tevens sluit de vergoede inflatie niet voldoende aan bij de ambitie van pensioenfondsen om pensioenrechten te indexeren.
Per september 2012 is de zogenaamde UFR als rekenrente ingevoerd voor pensioenfondsen. Door het gebruik van deze UFR ligt de rente die wordt gebruikt om de pensioenuitkeringen te verdisconteren hoger dan de marktrente, zodat pensioenfondsen minder hoeven te reserveren voor hun pensioenuitkeringen. De dekkingsgraad zou volgens berekening van DNB zonder UFR 96,3% bedragen in plaats van 101,5%. Niet alleen liggen de verplichtingen lager door de invoering van de UFR, ook de gevoeligheden van veranderingen voor de rente zijn volgens DNB anders: bij een rentedeling met 1 procentpunt namen de verplichtingen voor de invoering van de UFR toe met 202 miljard Euro, terwijl dat na de invoering van de UFR 155 miljard Euro is. Wanneer het effect van de UFR niet wordt meegenomen, bedraagt de renteafdekking van de pensioensector 37 procent. Dit is volgens DNB op het niveau van de renteafdekking begin 2011.

Reageer