De Centrale Raad buigt zich over de vraag of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard.

Wat is er aan de hand?
Appellant heeft onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) pensioenrechten opgebouwd. Per 1 januari 1996 is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) geprivatiseerd en wordt uitgevoerd door de Stichting pensioenfonds ABP. Appellant verkrijgt op 5 maart 1997 van het bestuur van het pensioenfonds een opgave van zijn te bereiken pensioen. Deze opgave is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 31 maart 1997 bezwaar gemaakt omdat hij van mening is dat de privatisering hem financieel heeft benadeeld. Omdat appellant zijn werkgever in rechte heeft betrokken deelt appellant het bestuur mede dat de behandeling van zijn bezwaar kan worden aangehouden.

Bij brief van 10 oktober 1997 heeft het bestuur een toelichting gegeven op de opgave. In genoemde brief staat vermeld dat wanneer appellant schriftelijk het bestuur informeert over een positief resultaat over de procedure tegen zijn werkgever, dat dan die brief zal worden aangemerkt als een verzoek om herziening van de opgave. Tevens wordt vermeld dat het bezwaar in dit stadium als afgehandeld wordt beschouwd.

Bij brief van 4 februari 2014 heeft appellant wederom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 maart 1997. Het bestuur van het ABP deelt hierop mede dat het geen bestuursorgaan is in de zin van de Awb en dan ook geen beslissing op bezwaar kan nemen. Verder stelt het bestuur dat tegen het besluit van 5 maart 1997 geen rechtsmiddelen meer openstaan omdat het in rechte onaantastbaar is geworden. Appellant heeft hiertegen beroep in gesteld.

Tevens heeft appellant de minister ingebreke gesteld omdat deze niet (tijdig) de door appellant gewenste beslissing over zijn pensioenrechten heeft genomen. De minister reageert hierop met de mededeling dat hij niet bevoegd is een beslissing te nemen over de ABP-pensioenuitkering van appellant, omdat het ABP per 1 januari 1996 is geprivatiseerd. Appellant heeft ook hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard ter zake van het beroep, gericht tegen het bestuur van het ABP. De brief van het bestuur van 10 oktober 1997 is volgens de rechtbank een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Omdat appellant niet binnen een redelijke termijn op die brief heeft gereageerd, is het besluit van 5 maart 1997 inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is de weg naar de bestuursrechter wat dit besluit betreft afgesloten.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen de reactie van de minister heeft de rechtbank zich eveneens onbevoegd verklaard omdat de minister geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om besluiten te nemen over de individuele aanspraken van appellant op zijn – onder de Abp-wet opgebouwde – pensioenrechten. De brieven van de minister bevatten daarom noch een besluit noch een weigering om zo’n besluit te nemen. Omdat het beroep van appellant niet is gericht tegen een besluit, is de rechtbank niet bevoegd om over dit geschil te oordelen.

Appellant gaat tegen het oordeel van rechtbank in hoger beroep.

Oordeel
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld onbevoegd te zijn. De privatisering van het ABP, inmiddels meer dan twintig jaar geleden en bij formele wet geregeld, is echter een vaststaand gegeven. Dat geldt ook voor de juridische gevolgen daarvan, die er onder meer uit bestaan dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de geschillen te beoordelen die appellant heeft aangebracht.

Conclusie
Dat het bestuursrecht ingewikkeld is blijkt uit het bovenstaande. Appellant staat na 20 jaar met lege handen omdat ook de schadevergoeding wordt afgewezen.
Centrale Raad van Beroep, 21-09-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3252

Reageer