Conserverende aanslag bij emigratie t.z.v. lijfrente alleen tot voorwaardelijk in aftrek genomen premies

Op 8 juni 2017 (door Advocaat-Generaal) en 14 juli 2017 (definitieve beslissing Hoge Raad) heeft de Hoge Raad antwoorden gegeven op een aantal prejudiciële vragen over een conserverende aanslag ter zake van pensioen- en lijfrenteaanspraken (zaaknummer 17/01256). Een van de door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant gestelde prejudiciële vragen is of het in de heffing betrekken bij conserverende aanslag van negatieve uitgaven bij emigratie ter zake van een lijfrenteaanspraak voor het op grond van artikel 3.136, lid 2 Wet IB 2001 bepaalde bedrag in de voorgelegde case in strijd komt met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag Nederland-Frankrijk (het Verdrag).

Het antwoord van de Hoge Raad op deze vraag luidt als volgt: “het in de heffing betrekken bij conserverende aanslag van negatieve uitgaven bij emigratie ter zake van een lijfrenteaanspraak voor het op grond van artikel 3.136, lid 2, Wet IB 2001 bepaalde bedrag komt niet in strijd met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitleg en toepassing van het Verdrag, voor zover de desbetreffende uitgaven zijn gedaan in de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 of in de periode na 15 juli 2009.”. Ter zake van de in die periode gedane (premie)uitgaven heeft namelijk een voorwaardelijke aftrek gegolden. Met andere woorden, bij niet-naleving van bepaalde lijfrentevoorwaarden, zouden de in die perioden in aftrek gebrachte lijfrentepremies terug zijn genomen. Een dergelijk wettelijk regime geldt niet voor de lijfrentepremies die zijn betaald in de periode gelegen vóór 1992 en in de periode 1 januari 2001 tot en met 15 juli 2009. De aftrek van in die perioden betaalde lijfrentepremies had volgens de Raad daarom geen voorwaardelijk karakter.

Bij de vaststelling van een conserverende aanslag moet derhalve compartimentering plaatsvinden, aldus de Hoge Raad. De Raad gaat daarmee een stap verder dan de Advocaat-Generaal deed in zijn conclusie van 8 juni 2017.

De conclusie is op 16 juni 2017 gepubliceerd, en de beslissing van de Hoge Raad op 14 juli 2017.

Reageer