Compensatie voor AOW-gat van burgerambtenaren Defensie is toereikend

De Centrale Raad van Beroep heeft op 18 juli 2016 uitspraken gedaan in zaken over voormalige ambtenaren van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijden vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat). Geoordeeld is dat de beëindiging van een wachtgelduitkering bij 65 jaar met de gelijktijdige toekenning van een maandelijkse tegemoetkoming een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert.

De betrokkenen in deze zaken zijn werkzaam geweest als burgerambtenaar bij het ministerie van Defensie. Zij ontvangen een wachtgelduitkering op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd. In 2013 is een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd ingevoerd. Daardoor hebben betrokkenen niet langer recht op een AOW-uitkering vanaf 65 jaar, maar vanaf een later moment. Zij worden hierdoor geconfronteerd met een AOW-gat. De minister heeft hiervoor een voorziening getroffen, welke een compensatie voor het gemis aan AOW inhoudt.

Met betrekking tot de beëindiging van de uitkering en de compensatie heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat dit verboden onderscheid naar leeftijd oplevert. Als gevolg van de oordelen d.d. 18 juli 2016 heeft de minister een nieuw besluit genomen dat inhoudt dat de uitkering nog altijd op de 65-jarige leeftijd eindigt. Daarnaast krijgen de voormalig burgerambtenaren voor de periode vanaf dat zij 65 jaar worden totdat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt, een maandelijkse bruto uitkering toegekend, die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast is aan deze ambtenaren voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat zij (mogelijk) hun ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Deze compensatie wordt ook toegekend als geen gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om het pensioen te vervroegen tot voor de AOW-leeftijd. Bij nadere besluiten heeft de minister de besluiten nog aangevuld in die zin dat als het totaalbedrag van AOW-hiaat en compensatie voor het vervroegde ouderdomspensioen, vermeerder met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde uitspraken, dat alsnog een aanvulling plaatsvindt tot 90%.

Nu is het aan de Centrale Raad van Beroep om te oordelen of deze maatregelen het verboden onderscheid wegnemen.

Als eerste beantwoordt de Raad de vraag of de beëindiging van de wachtgeldregeling, rekening houdend met de geboden compensatie en de mogelijkheid om het ouderdomspensioen te vervroegen nog verboden onderscheid oplevert.

In de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad reeds geoordeeld dat sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd door het wachtgeld van ambtenaren bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar te beëindigen, ook al is de duur van dat wachtgeld op grond van de artikelen 8 en 9 van het Wbad nog niet verstreken. Ook is in die uitspraken geoordeeld dat de doelstellingen legitiem zijn. Nu moet geoordeeld worden of het gekozen middelen (de aangepaste regeling) passend en noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken.

De Raad is van oordeel dat het middel niet kennelijk ongeschikt is om de legitieme doelstellingen – het beschermen van alleen diegenen die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben alsmede een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen – te bereiken.

Wat de noodzakelijkheid van het middel betreft dient de rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof te onderzoeken of het middel niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van de werknemers, waarbij het middel in zijn eigen regelingscontext dient te worden geplaatst en rekening moet worden gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat.

In dit kader verschillen partijen van mening over wat de gerechtvaardigde aanspraak van de ambtenaren is. De minister vindt de situatie van een AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd van 65 jaar. De ambtenaren vinden de situatie van het doorbetalen van het wachtgeld tot de AOW-gerechtigde leeftijd. De Raad volgt de minister.

Om te bepalen of het middel niet op excessieve wijze inbreuk maakt op de gerechtvaardigde aanspraken van de werknemers, heeft de Raad vijf scenario’s laten doorrekenen. Uit deze berekeningen blijkt dat het bruto inkomen tot de AOW-leeftijd aanzienlijk stijgt ten opzichte van de situatie dat de AOW-leeftijd nog 65 jaar was. Netto is het inkomen wel lager, maar dat is het gevolg van fiscale regels. Tevens is dit verschil beperkt. Voor de periode vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd is sprake van een verlies van enkele procenten. Op grond van die conclusies is de Raad van mening dat het middel geen excessieve inbreuk maakt. Nu uit de inkomensoverzichten volgt dat het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen slechts een gering verlies aan inkomsten oplevert ten opzichte van de gerechtvaardigde aanspraak, kan niet met recht worden gesteld dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het vervroegd in laten gaan van het ouderdomspensioen onderdeel te laten zijn van het middel.

Op grond van deze bevindingen is de Raad van mening dat er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond voor het uit artikel 17, eerste lid aanhef en onder a. van het Wbad voortvloeiende onderscheid naar leeftijd. De Raad is tevens van mening dat geen sprake is van strijd met artikel 4 van het Europees Sociaal Handvest of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Ook is geen sprake van verboden onderscheid naar burgerlijke staat op grond van de Algemene Wet gelijke behandeling of strijd met het algemene rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond. Een beroep op de hardheidclausule uit de Wbad slaagt ook niet.

De minister heeft derhalve een passend en noodzakelijk oplossing gevonden. Centrale Raad van Beroep, 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473

Reageer