Bestuursaansprakelijkheid wegens verzuim pensioenpremies af te dragen

Persoonlijke of hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennootschapsbestuurder treedt blijkens de geringe jurisprudentie hierover niet snel in.  Hiertoe dient immers aan de eis te worden voldaan dat de bestuurders van het onbehoorlijk bestuur een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Niettemin is er onlangs een vonnis gewezen, waarin een werkgever in de hoedanigheid van  vennootschapsbestuurder persoonlijk aansprakelijk is gesteld, omdat hij verzuimd heeft pensioenpremies aan de pensioenuitvoerder, i.c. de verzekeraar, af te dragen.
In deze rechtszaak (Rechtbank Groningen 22 september 2010/ LJN BO 2529) heeft de verzekeraar lange tijd geprobeerd de werkgever ertoe te bewegen om de verschuldigdheden te voldoen, onder meer middels een coulante behandeling ten opzichte van betalingsregeling. Zonder succes echter. Per aangetekend schrijven heeft de verzekeraar als laatste poging de werkgever laten weten, indien deze niet tot betaling zou overgaan, het collectieve pensioencontract premievrij te zullen maken. De werkgever heeft gereageerd noch betaald. Om die reden is de verzekeraar overgegaan tot premievrijmaking van de pensioenaanspraken. Hierdoor bouwen de werknemers minder pensioen op. De werknemers vorderen dat de werkgever alsnog de pensioenpremies afdraagt aan de pensioenuitvoerder. Werknemers stellen de werkgever bovendien aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap.

De rechtbank vindt allereerst dat een pensioenvoorziening aan te merken is als een wezenlijke arbeidsvoorwaarde in een arbeidsrelatie. Indien een werkgever zich niet houdt aan haar verplichtingen de pensioentoezegging gestand te doen,kunnen werknemers nakoming van die arbeidsvoorwaarde dan wel bij een toerekenbare tekortkoming vergoeding van daardoor ontstane schade van hun werkgever vorderen. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat het niet betalen van de premies voor een verzekeringsovereenkomst gevolgen heeft voor de dekking en de hoogte van eventuele aanspraken op uitkering. De vordering van de werknemers om de werkgever alsnog de pensioenpremies af te laten dragen aan de verzekeraar is door de rechtbank toegewezen.

Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder oordeelt de rechtbank als volgt. Het enkel niet betalen van schuldeisers vormt in beginsel onvoldoende  aanleiding voor persoonlijk aansprakelijk zijn. Een bestuurder kan jegens derde, in casu een onbetaald gebleven crediteur (zijnde de verzekeraar) echter wèl  persoonlijk aansprakelijk zijn, als hij namens de BV een verplichting is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de BV niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen dan wel dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de BV haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Of de bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden is met name afhankelijk van de vraag of hem een ernstig verwijt valt te maken. Dit laatste wordt  beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De waardering van die omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In deze zaak is volgens de rechtbank komen vast te staan dat de bestuurder zich terdege bewust was van het wanbeleid en hier desondanks niet adequaat op is ingesprongen. Hierdoor is sprake van een persoonlijk ernstig verwijt en wordt de bestuurder  door de rechtbank hoofdelijk aansprakelijk gehouden.

Opvallend is in deze zaak dat niet de verzekeraar is die de werkgever voor de rechter daagt, maar zijn werknemers, terwijl de werkgever degene is die premies verschuldigd is jegens de verzekeraar. Dit laatste vloeit voort uit de uitvoeringsovereenkomst, waarin de aan de Pensioenwet ontleende betalingsplicht van de werkgever is opgenomen. De uitvoeringsovereenkomst regelt de rechtsbetrekking tussen werkgever en uitvoerder. Waar de uitvoeringsovereenkomst mede een verzekeringsovereenkomst insluit, zoals in het onderhavige geval, wordt de werknemer via het zogeheten “derdenbeding” partij bij die overeenkomst.

De situatie zou anders zijn geweest, als  de werknemers verplicht deelnemers waren geweest in een bedrijfstakpensioenfonds (bpf). In het laatste geval was het bpf namelijk bij betalingsachterstand niet toegestaan de pensioenaanspraken premievrij te maken. Voor in het bpf verplichte deelnemers geldt immers volgens jurisprudentie het adagium “geen premie, wel recht”, hetgeen betekent dat de pensioenopbouw in beginsel gecontinueerd wordt ondanks betalingsachterstand. In de juridische literatuur wordt hierover echter genuanceerd gedacht.

Reageer