Bestuurdersaansprakelijk bij niet aan pensioenfonds afgedragen pensioenpremies.

Al vaker schreef ik over de bestuurdersaansprakelijkheid in de situatie dat pensioenpremies niet zijn afgedragen aan het pensioenfonds.

Recentelijk heeft de Hoge Raad hierover weer een arrest gewezen. Wat was er in deze kwestie aan de hand? Eiser is tot eind 2010 minnelijk bestuurder geweest van een vennootschap die verplicht was aangesloten bij Bpf Vervoer. Op dat moment heeft een overdracht plaatsgevonden. Bij brief van 4 december 2009 heeft eiser het pensioenfonds bericht dat de vennootschap niet in staat was om de factuur van 16 november te voldoen. Hierop wordt een toelichting gegeven en een voorstel tot een betalingsregeling gedaan. Een deelbetaling volgt, een deel van 2008 – 2009 en 2010 blijft onbetaald. In juli 2011 gaat de vennootschap failliet. Het pensioenfonds heeft de voormalig bestuurder aansprakelijk gesteld voor de niet afgedragen premies.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 4 december 2009 geen melding van betalingsonmacht was. Daarmee was het wettelijk vermoeden aanwezig dat het niet betalen van de pensioenpremies te wijten was aan de bestuurder. De bestuurder slaagt er niet in om dit wettelijke vermoeden te weerleggen.

Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de brief van 4 december 2009 wél een melding betalingsonmacht was en dat het pensioenfonds deze brief niet alleen als een betalingsregeling mocht bestempelen. Daardoor ontstaat de vraag of het niet betalen van de premies een gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurder in de drie jaren daarvoor. Deze vraag wordt door het Gerechtshof bevestigend beantwoord. Onder mee op grond van het gegeven dat de bestuurder de administratie van de vennootschap niet in het geding heeft gebracht, waaruit een aantal van zijn standpunten zou moeten blijken.

De Hoge Raad buigt zich vervolgens over twee vragen.
1. Heeft het Gerechtshof terecht het kennelijk onbehoorlijk bestuur aangenomen door te stellen dat de administratie doelbewust niet is verstrekt.
2. K
an de melding betalingsonmacht van 4 december 2009 ook betrekking hebben op de premies 2010? 

Volgens de Hoge Raad behoort de administratie van een rechtspersoon toe aan die rechtspersoon. Het bestuur van die rechtspersoon is verplicht de administratie te bewaren, zodat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Na een aandelenoverdracht blijven de administratie dan ook van de rechtspersoon. Dit betekent dat een voormalig bestuurder in beginsel niet meer kan beschikken over de administratie of daar toegang tot heeft. Het Gerechtshof is dan ook ten onrechte ervan uit gegaan dat de administratie niet is overgedragen en door eiser doelbewust niet is verstrekt in de procedure.

De tweede vraag wordt door de Hoge Raad bevestigend geantwoord. Met het Gerechtshof is de Hoge Raad van mening dat de gedane mededeling een melding tot betalingsonmacht is. Na een dergelijke mededeling is het niet noodzakelijk om bij iedere nieuwe betalingsverplichting wederom een dergelijke mededeling te doen. De melding van december 2009 ziet dan ook op 2010.

De Hoge Raad verwijst de kwestie dan ook terug naar een ander Gerechtshof om met in achtneming van deze uitgangspunten opnieuw arrest te wijzen. Hoge Raad, 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3019

 

Reageer