Beslagvrije voet en vakantiegeld

De AOW was € 1.074,97 per maand en de beslagvrije voet € 1.443,57. Dat betekent dat de hele uitkering aan de AOW-er moest worden betaald. Elke maand bouwde hij € 58,94 vakantiegeld op. Als dat per maand zou worden betaald, zou het inkomen (1.074,97 + 58,94) onder de beslagvrije voet liggen. Maar het vakantiegeld werd één keer per jaar betaald en  kwam één keer per jaar het maandinkomen boven de beslagvrije voet uit (1.074,97 + 12 x 58,94). In die maand zou beslag gelegd kunnen worden op het bedrag boven € 1.443,57. De Hoge Raad (31/10/2014) stelt: de beslagvrije voet wordt per maand berekend. Per maand moet worden gekeken of het inkomen plus in die maand opgebouwd vakantiegeld boven de beslagvrije voet uitkomt. Het één keer per jaar te betalen vakantiegeld moet voor het beslag aan elke maand worden toegerekend. In de maand waarin vakantiegeld wordt betaald, kan dus niet zonder meer beslag worden gelegd op het jaarbedrag aan vakantiegeld. Eerst moet worden teruggerekend naar maandinkomen plus vakantiegeld.

Reageer