Berekening kapitaal voor afstorting bij pensioenverzekeraar

Sinds het arrest van de Hoge Raad in 2007 is het uitgangspunt dat de ex-partner van de directeur-grootaandeelhouder afstorting van de te verevenen pensioenaanspraken kan eisen. Die eis wordt toegewezen tenzij de onderneming van de directeur-grootaandeelhouder daardoor in haar voortbestaan wordt bedreigd. Vanaf 2007 wordt veelvuldig gediscussieerd in hoeverre afstorting verplicht is. Door de huidige lage marktrente is het onderbrengen van de pensioenaanspraken bij een verzekeraar aanzienlijk duurder geworden. In deze zaak was door het Gerechtshof een deskundige benoemd om de hoogte van de pensioenaanspraken en de daaraan verbonden koopsom te bepalen. De deskundige heeft aangegeven dat alleen een verzekeraar de hoogte van de koopsom kan aangeven en dus deze vraag niet te kunnen beantwoorden. Indicatief had de deskundige een berekening gemaakt op basis van het wettelijk tarief voor waardeoverdracht. De ex-partner kon een offerte van een verzekeraar presenteren. Het Gerechtshof heeft deze offerte gebruikt om de vordering van de ex-partner toe te wijzen. Daarbij verwees het Gerechtshof onder meer naar de door de accountant van de directeur-grootaandeelhouder gemaakte berekening met een vergelijkbare koopsom. De directeur-grootaandeelhouder had daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar kwam door de afstorting.

 

De advocaat van de directeur-grootaandeelhouder heeft waarschijnlijk kansen laten liggen. Er is verzuimd te wijzen op de onredelijke gevolgen van de extreem hoge koopsom als gevolg van de lage rente. Recent is dat voor de Rechtbank Midden-Gelderland nog reden geweest de afstortingseis af te wijzen. Het Gerechtshof in Den Haag heeft in juni 2013 ook aangegeven dat redelijkheid en billijkheid zich kunnen verzetten tegen afstorting.

Reageer