Artikel www.bankeneffectenbedrijf.nl: Bancair sparen dé oplossing?

Dat de AOW-leeftijd omhoog gaat en dat de AOW bovendien verder zal worden geïndividualiseerd en geflexibiliseerd lijkt een kwestie van tijd. Als we kijken naar de verkiezingsprogramma’s, lijkt iedere mogelijke coalitie voorstander van verhoging van de AOW-leeftijd. Als gevolg daarvan zal ook de pensioenleeftijd worden verhoogd naar 67 jaar, evenals de spildatum in het lijfrenteregime. Maar stel dat men wel gewoon op 65 jarige leeftijd met pensioen wil gaan. In dat geval is de vraag of bancaire producten beter de ‘hiaten’ die ontstaan in de inkomensplanning kunnen opvangen dan de traditionele verzekeringsproducten.

Bancair sparen de oplossing voor verhoging en flexibilisering AOW-leeftijd?

Bancaire producten: stand van zaken
We bekijken allereerst de mogelijkheden die bancair ‘pensioensparen’ biedt. Sinds 2008 komen ook lijfrentepremies die aan een bank worden betaald voor fiscale aftrek in aanmerking. Uiteraard dient de bank dan te voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden, zoals het opmaken van een juiste overeenkomst en het vereiste verbod op afkoop. Feitelijk maakt het voor de consument niet zo heel veel uit of hij nu ‘spaart’ bij een verzekeraar of een bank. De lijfrenteaftrek is hetzelfde en ook de lijfrentevormen – (tijdelijke) oudedagslijfrente en nabestaandenlijfrente – zijn identiek.

Oudedagslijfrente: ingangsdatum vrij maar uiterlijk 70 jaar, duur levenslang.
Nabestaandenlijfrente: ingangsdatum na overlijden verzekerde persoon, duur tijdelijk of levenslang, begunstiging vrij.
Tijdelijke oudedagslijfrente: ingangsdatum tussen 65 en 70 jaar, duur tijdelijk, minimaal
5 jaar. Hoogte maximaal € 20.479 bruto per jaar (2010).

Tot 2005/6: Overbruggingslijfrente: ingangsdatum vrij, duur uiterlijk tot 65 jaar (of eerdere ingangsdatum werkgeverspensioen), hoogte maximaal € 63.288 bruto per jaar (bedrag 2005).

Levenslang bij de bank
Twee verschillen tussen bankproducten en verzekeringsproducten zijn verder van belang. Ten
eerste betekent ‘levenslang’ bij een bank een uitkering van 20 jaar. Dat is immers de gemiddelde tijd dat iemand na zijn 65e jaar nog leeft. Ten tweede: als de uitkering vóór het 65e jaar ingaat, dan komen deze extra jaren erbij. Een uitkering die op 60-jarige leeftijd start moet dus 25 jaar duren. Ook is een essentieel verschil met een verzekering dat het niet-uitgekeerde geld – ook bij een oudedagsvoorziening – altijd naar de erfgenamen gaat. Dit onderscheid speelt niet bij de begunstiging na overlijden, deze begunstiging is immers
altijd vrij. Iedereen kan dus worden aangewezen om de nabestaandenlijfrente te ontvangen. Ook bij een verzekerde lijfrente kan het geld dus altijd naar de erfgenamen.
Tot slot, en dat geldt voor zowel bank als verzekering, mogen ‘kleine’ lijfrenten, tot een waarde van € 4.146 worden afgekocht. Er geldt dan uiteraard wel een progressieve heffing, maar geen aanvullende ‘boete’ in de vorm van heffing van revisierente (20%).

Gouden handdruk
Vanaf 2010 is overigens ook de mogelijkheid erbij gekomen om een ‘gouden handdruk’ bij een bank onder te brengen en de gouden handdruk om te zetten in een recht op periodieke uitkeringen in plaats van in een keer af te rekenen met de fiscus. Ook hiervoor geldt dat de voorwaarden in de uitkeringsfase nagenoeg gelijk zijn aan die bij een verzekeraar. Waarbij er
bij de bancaire variant wél een vastgestelde duur is voor tijdelijke uitkeringen. Een ‘gouden handdruk’ is namelijk een periodieke uitkering, die, als het een tijdelijke uitkering betreft, moet voldoen aan het zogenaamde 1%-criterium.

1%-criterium: in de periode tussen de eerste uitkering en de (beoogde) laatste uitkering moet er minimaal één procent kans zijn dat de gerechtigde overlijdt. Een tijdelijke lijfrente, of een tijdelijke uitkering uit een gouden handdruk, moet aan dit criterium voldoen.

Omdat een ‘gouden handdruk’ niet per se levenslang hoeft te zijn, is het nodig om invulling aan het criterium levenslang te geven. Hier is derhalve een faciliteit gecreëerd. Het Ministerie van Financiën heeft een staatje gepubliceerd waarin is opgenomen hoe lang de uitkering minimaal moet lopen bij een bepaalde aanvangsleeftijd. Op leeftijd 60 hoeft nog maar maximaal één jaar uitkering plaats te vinden om al te voldoen aan de fiscale eisen.

Of een bank per definitie goedkoper is – daarmee is immers de discussie over de faciliteit van bancair sparen begonnen – zal afhangen van het product en de bank dan wel van de verzekeraar. Wel lijkt het erop dat banken zeker niet duurder zijn. De toegenomen concurrentie heeft in ieder geval voor een neerwaartse druk qua kosten gezorgd, ook bij verzekeraars.

Pensioensparen via de bank
Er zijn nog geen concrete plannen om ook regulier pensioensparen (dus werkgevers-werknemerspensioen) via de bank toe te staan. Toch lijkt mij dit een kwestie van tijd. Met de komst van de Premiepensioeninstelling (PPI) en daarna de Algemene Pensioeninstelling (API) is de weg naar meer marktwerking en dus meer aanbieders opengelegd. Vooralsnog is een pensioen alleen mogelijk via een verzekeraar of pensioenfonds (daaronder ook de multi-opf te verstaan). Maar in de opbouwfase is er geen verschil tussen sparen bij een verzekeraar of bij een bank. Alleen de uitkering moet levenslang zijn en dus bij een verzekeraar of pensioenfonds worden ondergebracht.

PPI: een premiepensioeninstelling is een nieuw soort (commerciële) aanbieder van
pensioenregelingen. Deze mag alleen beschikbare premieregelingen uitvoeren en geen risico’s ‘verzekeren’ (zoals nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of een ingegaan ouderdomspensioen). PPI’s zullen in 2011 op de Nederlandse markt worden toegelaten.

API: een algemene pensioeninstelling is ook een nieuwe aanbieder, maar deze mag wel risico’s dragen en wordt dus een ‘concurrent’ van pensioenfondsen en verzekeraars. API’s zullen waarschijnlijk vanaf 2012 mogelijk zijn.

Ontwikkelingen ‘pensioen’
De pensioenleeftijd gaat dus, in navolging van de AOW-leeftijd, omhoog. Maar hoewel de pensioenleeftijd dan op 67 jaar komt te staan, mag het pensioen op ieder gewenst moment ingaan. Ook kan pensioen middels de bekende hoog/laag-variant worden uitgekeerd, dus bijvoorbeeld de eerste jaren tot 67 jaar meer (100%), dan daarna minder (75%). Dit kan vervolgens gecombineerd worden met deeltijdpensioen, uitruil van nabestaanden- naar ouderdomspensioen, en – indien mogelijk – de uitruil van een geïndexeerd pensioen naar een hoger nominaal pensioen.

Lijfrente-leeftijd
Ook de lijfrente-spilleeftijd zal van 65 jaar naar 67 jaar worden verhoogd. Dat betekent dat de oudedagslijfrente nog altijd op ieder gewenst moment kan ingaan, maar dat de tijdelijke oudedagslijfrente ook pas op 67 jaar mag ingaan. Er zal overigens ongetwijfeld
een overgangsregime komen voor opgebouwde rechten, zowel in de pensioen- als in de lijfrentesfeer. Dat zal betekenen dat het ‘gespaarde’ geld in een lijfrentevoorziening nog steeds op 65 jarige leeftijd mag ingaan in de vorm van een tijdelijke oudedagslijfrente. Om ‘snel’ een lijfrenteovereenkomst aan te gaan met dit doel, lijkt verstandig te zijn.

Een oudedagslijfrente mag altijd, ook nu al, op iedere gewenst moment ingaan. Dus ook op 60 jaar, of 57 of 63. Het is dus niet nodig dat dit wordt aangepast als de ‘spilleeftijd’ naar 67 jaar gaat. De tijdelijke oudedagslijfrente kent wél een vroegste ingangsdatum, nu 65 jaar, dat zal dan normaliter 67 jaar worden.

Beperkingen
De beperking in de leeftijdsverhoging zit dus met name in de mogelijkheid om een kortdurende tijdelijke uitkering aan te kopen, hetzij met pensioengeld, hetzij via een lijfrente. Deze mogelijkheid is er juist wel bij de ‘gouden handdruk’-uitkering. Maar je kunt vaak niet zelf bepalen of je een gouden handdruk krijgt, terwijl dat voor aanvullend pensioen- of lijfrentesparen wel het geval is. Los van het aanwenden van de meer flexibele
lijfrenten volgens het oude regime, lijkt een oplossing voor de gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd niet voorhanden.

Voor de volledigheid attendeer ik nog op het feit dat als een lijfrente volgens het oude regime
– zowel die van vóór de Brede HerwaarderingI (16-10-1990/01-01-1990), die van vóór de
overgangsregimes van IB 2001 (toen de uiterste ingangsdatum op 70 jaar werd gesteld) als dievan de VPL-wetgeving (afschaffing VUT en prepensioen, introductie levensloop) wordt
ondergebracht bij een bank, dat oude regime, dat altijd flexibeler is, verloren gaat!

Mogelijkheden
Zo bezien biedt pensioen dus eigenlijk meer mogelijkheden dan bancair (lijfrente) sparen. De flexibiliteit die er vroeger met de overbruggingslijfrente bestond, is sinds de Wet VPL verdwenen. Uiteraard kunnen opgebouwde rechten op dit soort uitkeringen nog wel ingezet worden, maar zoals hierboven aangegeven, kunnen deze lijfrenten volgens het oude regime juist niet naar een bank worden overgedragen zonder dat het oude regime verloren gaan. Voor zover het een overbruggingslijfrente betreft kan deze in de uitkeringsfase alleen bij een verzekeraar worden aangekocht.

Levensloop versus spaarloon
Tot slot. In de plannen van de commissies die in april hebben geadviseerd hoe de overheid
de komende jaren zou kunnen of moetenbezuinigingen, is door de adviescommissie inzake belastingherziening voorgesteld om de spaarloonfaciliteit te schrappen. Ik ben daar
persoonlijk een groot voorstander van, en wel om twee redenen. Allereerst zit in spaarloon
een ‘dubbel’ voordeel, zowel bij de onbelaste toevoeging als bij de onbelaste opname; dat
acht ik niet meer van deze tijd. Verder, en daar zit mijn grotere punt, zolang spaarloon nog bestaat, zal de levensloopregeling niet snel een succes worden, terwijl dat veel meer een regeling is van de moderne tijd. De levensloopregeling is bovendien voorbehouden aan werknemers, inclusief de DGA, en dus niet voor zzp’ers bedoeld. Het nieuwe kabinet moet nog maar eens goed nadenken, of deze beperking ten aanzien van zzp’ers nog wél van deze tijd is, aangezien ook de hierboven genoemde adviescommissie heeft voorgesteld om de (fiscale) oudedagsreserve te schrappen – wat mij zeker het overwegen waard lijkt, want de
(f )OR is immers een relikwie van lang geleden – kan de levensloopregeling daarvoor mooi in de plaats komen.

Oudedagsreserve: de (fiscale) oudedagsreserve is uitsluitend een boekhoudkundige ‘reserve’ die aangeeft over welk deel van de winst de ondernemer uitstel krijgt voor de betaling van belasting. De naam ’reserve’ doet derhalve geen recht aan de aard van deze balanspost. Het is in wezen een belastingschuld, want er hoeft past belasting betaald te worden als de ondernemer met zijn bedrijf stopt. Ook is er geen verplichting om de reserve daadwerkelijk aan te wenden voor een oudedagsvoorziening.

Conclusie
De conclusie moet zijn dat bancaire lijfrenteproducten geen (substantiële) extra mogelijkheden bieden ten opzichte van verzekeringsproducten. Dat is ook nooit de bedoeling geweest van de wetgever. Wel blijkt uit de analyse dat het lijfrente-regime sowieso nauwelijks mogelijkheden biedt anders dan meer ‘pensioen’ te geven, zowel levenslang (oudedagslijfrente) als tijdelijk gedurende de eerste jaren na pensionering (tijdelijke oudedagslijfrente). Terwijl vroeger de overbruggingslijfrente bij uitstek ingezet kon worden om juist tijdelijke hiaten op te vullen is deze mogelijkheid nu helaas verdwenen.
De vervolgconclusie moet dan wellicht zijn dat de tweede pijler (pensioen) en de derde pijler (lijfrente) net zo goed geïntegreerd kunnen worden. Dan kan er één norm komen: wat niet besteed wordt aan pensioen, kan aanvullend worden besteed aan lijfrente. Dat het totale speelveld (pensioenfonds, verzekeraar en bank) dan open moet komen te liggen is naar mijn idee een logisch gevolg. Ik zie dat binnen een jaar of vijf overigens ook daadwerkelijk gebeuren. Tot die tijd zou ik meer gebruikmaken van levensloop – en spaarloon zolang het nog kan – en voor het overige eerder meer gewoon sparen ‘via de bank’ (dus in box III), dan via een box I-pensioen- of lijfrenteconstructie. Mocht een gouden handdruk worden genoten, dan is dat overigens de ideale hiaten-vuller.

Reageer