Artikel Wegener Dagbladen: Pensioen & Belasting

 Pensioen & Belasting

Bij het onderwerp Pensioen & Belasting is de Wet op de Loonbelasting van belang. Deze wet vermeldt aan welke fiscale normen een pensioenregeling dient te voldoen om belastinguitstel te creëren.

Omkeerregel
Indien je binnen de fiscaal maximale normen blijft, zoals deze zijn vermeld in de Wet op de Loonbelasting, is de omkeerregel van toepassing. De omkeerregel houdt in dat de aanspraken die berusten op een pensioenregeling niet tot het loon behoren. Hieruit volgt dat op het moment dat er uitkeringen uit de pensioenaanspraken komen, deze belast zijn.

Het maakt niet uit welke partij de premie voor de pensioenvoorziening betaalt. Indien de werkgever deze betaalt, behoort de premie niet tot het loon en is deze daardoor niet belast bij de werknemer. Indien de werknemer een eigen bijdrage doet aan de pensioenverzekering, wordt deze premie ingehouden op het bruto loon van de werknemer en is derhalve niet als loon belast.

Voorbeeld

Indien een werknemer een salaris heeft van € 35.000,– en de waarde van de pensioenopbouw, die volledig door de werkgever wordt betaald, in enig jaar € 2.250,– bedraagt, ziet de situatie er als volgt uit:

Salaris € 35.000,–
Waarde pensioenopbouw werkgever € 2.250,–
Totaal loon (art. 10) € 37.250,–
-/- pensioenpremie werkgever € 2.250,–
Belast loon € 35.000,–

De pensioenuitkeringen zijn te zijner tijd belast, als deze worden genoten door de (gewezen) werknemer of door de nabestaanden.

De meeste pensioenregelingen kennen een gezamenlijke betaling door de werkgever en door de werknemer. In een beschikbare premieregeling waarin de werknemer 5% van het salaris betaalt en de werkgever de rest en de totale premie € 3.500,– bedraagt, ziet de situatie er als volgt uit:

Voorbeeld

Salaris € 35.000,–
Beschikbare premie werkgever € 1.750,–
Totaal loon € 36.750,–
-/- pensioenpremie werkgever € 1.750,–
-/- pensioenpremie werknemer € 1.750,–
Belast loon € 33.250,–

Ook hier geldt dat de pensioenuitkeringen die te zijner tijd voortvloeien uit de aanspraken belast zijn.

Let op: Indien de pensioenregeling niet voldoet aan de fiscale normen zoals vermeld in de Wet op de Loonbelasting, leidt dit tot sancties. Dan wordt de hele waarde van het pensioen in één keer tot het loon gerekend en als loon belast. Daarnaast wordt er een boete ter grootte van 20% revisierente over de hele waarde in rekening gebracht.

Voorbeeld

Een pensioen ter grootte van € 50.000,– met een waarde in het economisch verkeer (WEV) van € 350.000,– wordt afgekocht. Dan wordt er op grond van artikel 19b Wet LB een sanctie opgelegd en wordt de WEV progressief belast (toptarief 52%). Er wordt dus (€ 350.000,- x 52%) € 182.000,– belasting geheven. Daarnaast wordt op grond van artikel 30i Invorderingswet 20% revisierente in rekening gebracht ad € 70.000,–. Een totale belastingheffing van € 252.000,–!
Bijsparen/Levensloop
De werkgever bepaalt zelf op welke wijze hij de pensioenregeling ten behoeve van zijn werknemers wenst in te richten. Hiervoor geldt als enige vereiste dat hij binnen de normen van de Wet op de Loonbelasting dient te blijven. Aangezien de werkgever vanuit kostentechnisch oogpunt vaak geen fiscaal optimale pensioenregeling toezegt, heb je als werknemer verschillende mogelijkheden om dit pensioentekort te dichten. Hierbij kan worden gedacht aan een bijspaarregeling of levensloopregeling. In tegenstelling tot de bijspaarregeling is de levensloopregeling een wettelijk recht. Iedere werknemer kan hiervan gebruik maken.

Het doel van de levensloopregeling is om werknemers in de gelegenheid te stellen een inkomensvoorziening op te bouwen voor een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof. Hierbij kan gedacht worden aan een periode van verlof, prepensioen of een aanvulling op het ouderdomspensioen.

Net als pensioen wordt de levensloopregeling fiscaal ondersteund door de omkeerregel. Dit wil zeggen dat bij deelname aan de levensloopregeling de heffing van loonbelasting en premies volksverzekeringen (loonheffing) over het gespaarde bedrag uitgesteld wordt tot het moment van opname van het verlof. Dit geldt echter niet voor de heffing van premies werknemersverzekeringen. Uiteraard is over de uitkering tijdens de verlofperiode wel loonbelasting verschuldigd. De premies werknemersverzekeringen hoeven dan niet meer betaald te worden, die zijn immers destijds al afgedragen.

Als de levensloopregeling niet langer als zodanig is aan te merken of de aanspraak wordt vervreemd of afgekocht dan zal de aanspraak ter grootte van het spaartegoed worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Hierdoor worden dezelfde sancties toegepast als bij een pensioenregeling die niet meer voldoet aan de vereisten.

De levensloopregeling zorgt ervoor dat je fiscaal vriendelijk kunt sparen voor verlof of aanvulling op je pensioen. Je mag per jaar maximaal 12% van je bruto loon opzij zetten voor verlof of aanvulling op je pensioen. Het totale spaarsaldo bedraagt maximaal 210%, echter door rendement mag het saldo van 210% verder toenemen.

Over dit geld betaal je nu geen loonbelasting maar pas op het moment dat je het geld opneemt. Het is dus een soort belastingvrije spaarrekening waar je uit kunt putten als je het geld nodig hebt.

Maar let op! Je kunt het geld alleen opnemen voor verlof of om in je pensioenpot te stoppen en dus niet om naast je salaris een extraatje te hebben als je gewoon blijft werken. Het geld zit dus in zoverre vast. Zodra je uit dienst gaat bij je huidige werkgever kun je het geld in 1 keer opnemen. Je moet dan wel meteen met de belastingdienst afrekenen. Je mag het geld ook “meenemen” naar je nieuwe werkgever en daar verder bouwen aan je levenslooptegoed.

Tot slot krijgen de werknemers bij opname van het levenslooptegoed een extra korting van
€ 191,–. De korting kan niet meer bedragen dan het bedrag van de opname.

Gouden handdruk
Ook in de situatie van een gouden handdruk (ontslagvergoeding) speelt de belastingheffing een rol. Een uitkering op basis van een gouden handdruk wordt gezien als loon en derhalve ook als loon belast.

Wanneer een deel van de schadevergoeding aan te merken valt als smartengeld dan is dat deel niet belast voor de loon- of inkomstenbelasting. Let wel op dat wanneer de kantonrechter aangeeft dat een deel van de vergoeding aan te merken is als smartengeld, de belastingrechter hem hierin niet hoeft te volgen.

Het is ook mogelijk om de schadevergoeding in een “bedrag ineens” te ontvangen. Dit wordt ook wel een lump-sum genoemd. Dit “bedrag ineens” wordt progressief belast in Box I.

Indien de werkgever de schadevergoeding toekent in de vorm van periodieke uitkeringen (stamrecht) wegens te derven loon, met een beroep op artikel 11 lid 1 sub g Wet Loonbelasting, zal over de bruto vergoeding geen belasting worden geheven, doch over de uitkeringen. Deze kunnen onmiddellijk ingaan of op een later tijdstip, doch uiterlijk in het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt.

Inzake deze stamrechtuitkeringen is er sprake van gewijzigde wet- en regelgeving. De staatssecretaris van Financiën heeft namelijk aangegeven dat er een zogenaamde VUT-heffing van toepassing is op deze stamrechten.

Deze VUT-heffing zorgt ervoor dat de door de werkgever betaalde koopsom wordt belast met een eindheffing van 26%. Vanaf 1 januari 2011 wordt deze eindheffing verhoogd tot 52%. Wordt de ontslagvergoeding vervolgens omgezet in een stamrecht dat wordt verzekerd bij een professionele verzekeringsmaatschappij of stamrecht B.V. dan kan ook deze stamrechtuitvoerder geconfronteerd worden met de VUT-heffing. Dit betekent derhalve dat de koopsom benodigd voor deze stamrechtuitkering belast wordt bij de werkgever.

Naast deze heffing wordt op de reguliere wijze loonheffing ingehouden bij de werknemer. Dit betekent derhalve een belastingheffing bij de werkgever en de werknemer. De bedoeling van de overheid in deze is derhalve duidelijk, namelijk het ontmoedigen van regelingen voor vervroegde uittreding. In het besluit van 26 mei 2005 en 8 december 2005 heeft de staatssecretaris van Financiën een aantal uitzonderingen opgesomd die niet met de VUT-heffing worden geconfronteerd.

Lijfrente

De fiscale behandeling van een lijfrente is vergelijkbaar met de fiscale behandeling van pensioen.

In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vermeld dat premies die betaald worden voor lijfrenten, worden gezien als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen verminderen vervolgens het belastbaar inkomen uit werk en woning (box I). Dit heeft weer effect op de te betalen belasting. Aangezien de betaling van lijfrentepremies een volledig vrije keuze van het individu is, heeft de wetgever alleen regels gegeven over de hoogte van de mogelijke premieaftrek.

Voorbeeld: Effect premie-aftrek

Bruto inkomen € 40.000 € 40.000
Aftrekbare lijfrentepremies € 5.000
Belastbaar inkomen € 40.000 € 35.000

IB heffing 42% € 16.800 € 14.700

Netto € 23.200 € 20.300

Een ‘investering’ van € 5.000,– ‘kost’ slechts € 2.900,–.

Net zoals bij pensioen impliceert deze fiscale aftrekbaarheid van lijfrentepremies echter wel dat de uitkeringen belast zijn. Het zal voor zich spreken dat premies voor onbelaste uitkeringen NIET aftrekbaar zijn.

Reageer