Artikel Rendement: Inkomensvoorzieningen in privé voor ondernemers

Inleiding
Ondernemers moeten zelf voor hun inkomensvoorzieningen zorgen. Zowel bij ‘ouderdom’, bij overlijden en ook bij arbeidsongeschiktheid. Wat zijn de mogelijkheden daarvoor en wat zijn de verschillen tussen een ‘verzekerde’ lijfrente en een ‘bancaire’ lijfrente. Ook kennen ‘oud regime lijfrentecontracten’ extra mogelijkheden.

Wat is precies een lijfrente
Feitelijk is een lijfrente hetzelfde als pensioen. U krijgt jaarlijks – tijdelijk of levenslang – een inkomensvervangende uitkering die vaak per maand achteraf wordt uitgekeerd. De premie die u daarvoor betaalt is fiscaal aftrekbaar, de uitkering die u later krijgt, is belast. Als u komt te overlijden krijgt uw nabestaande (partner of kinderen) de lijfrenteuitkering. Zij betalen dan de inkomstenbelasting daarover. Ook als u arbeidsongeschikt wordt, kunt u een lijfrente krijgen. Formeel is dit een ‘periodieke uitkering’, de uitkering is immers niet afhankelijke van leven of dood, maar van ‘fysiek maleur’. Daarnaast moet u dan ook letten op de vraag of de opbouw van uw oudedagslijfrente wel doorgaat, dit wordt vaak meeverzekerd via de zogenaamde premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, eventueel gecombineerd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Meestal duurt de arbeidsongeschiktheidsuitkering maar tot 65 jaar.
De hoogte van de lijfrenteuitkering moet in principe ‘vast en gelijkmatig’ zijn – dus iedere maand het zelfde bedrag – maar door de verschillende lijfrentevormen te combineren kunt u zorgen dat u bijvoorbeeld vanaf 65 tot 70 jaar € 25.000 krijgt, daarna tot 75 jaar € 20.000 en vervolgens levenslang nog € 15.000. Ook de nabestaandelijfrente kunt u precies vormgeven zoals u dat wilt.

Lijfrentevormen
Van groot belang is dus welke lijfrentevormen u kunt aangaan. De belangrijkste is natuurlijke de levenslange oudedagslijfrente. U beslist zelf wanneer deze ingaat. Dat mag dus ook (ruim) voor 65 jaar, vanaf 60 of 55 jaar. Deze lijfrente duurt altijd levenslang, dus tot uw overlijden. Uiterlijk moet de oudedagslijfrente ingaan op uw 70-ste.
Daarnaast de nabestaandenlijfrente voor het geval u komt te overlijden. De kring van mogelijke nabestaanden is ruim en ook de nabestaande kan en mag zelf kiezen of hij of zij een levenslange uitkering wil of een tijdelijke. Er zijn nauwelijks beperkingen.
Uw kinderen mogen zelfs een uitkering krijgen ook al zijn ze ouder dan 30 jaar. Bij echt pensioen mag een zogenaamde wezenpensioen maximaal tot 30 jaar duren. De reden hiervan is dat een werkgever niet geachte wordt de kinderen van de (overleden) werknemer tot na hun 30-ste te onderhouden. Dat is immers niet zijn verantwoordelijkheid, maar die van de ouders (als ze dat willen).
De 3e lijfrentevorm is de tijdelijke oudedagslijfrente. U kunt vanaf 65 jaar, gedurende 5 jaar een tijdelijke lijfrente krijgen, naast de (levenslange) oudedagslijfrente. Dat kan dus van 65 tot 70, maar dat mag ook van 65 tot 75. De gedachte hier achter is dat u de eerste jaren van pensionering wat meer inkomen wilt hebben dan daarna.

Lijfrente verzekeren
Sinds 2008 kunt u ook een lijfrente afspreken met een bank, daarvoor kon dat alleen met verzekeringsmaatschappijen. Het grote verschil tussen beiden zit niet in de aftrekkant – die is bij beiden gelijk – maar in de uitkeringenkant. Een bank kan nooit een levenslange lijfrente uitkeren. Een bank keert dus uit tot dat de ‘spaarpot’ leeg is. Als u dan nog leeft, krijgt u niets meer. Dat geldt ook voor uw nabestaanden, ook deze krijgt een uitkering totdat de pot leeg is. Dat heeft voor- en nadelen. Het voordeel is dat u – of als u bent overleden uw erfgenamen – altijd uw eigen inleg terugkrijgt, net zoals uw banksaldo op de bank. Het nadeel is dat de pot wel eens leeg kan zijn, terwijl dat nog niet gewenst is. Dat is een kwestie van kiezen. U kunt bijvoorbeeld in de opbouwfase naar een bank gaan en in de uitkeringsfase de helft van uw spaarpot gebruiken voor een lijfrente bij de bank en de andere helft bij verzekeraar zodat u in ieder geval deels bent verzekerd van een levenslange inkomensvoorziening.

Lijfrente bancair
Er zijn eigenlijk maar twee verschillen tussen de bancaire lijfrente en de lijfrente bij een verzekeringsmaatschappij. Allereerst duurt een levenslange lijfrente bij een bank minimaal 20 jaar aangevuld met de jaren voor 65. Stel dat u de lijfrente laat ingaan op 62 jaar, dan moet deze – minimaal – 23 jaar, dus tot 85 jaar duren. 85 jaar is namelijk ongeveer de gemiddelde leeftijd. Gaat de lijfrente pas in op 70 jaar, dan duurt hij dus tot 90 jaar.
Daarnaast – en dat is het grote voordeel van een bancaire lijfrente – worden de termijnen die niet aan u kunnen worden uitgekeerd wegens uw vroegtijdig overlijden automatisch aan uw partner/erfgenamen uitgekeerd Er gaat dus geen ‘spaargeld’ verloren. In tegenstelling tot een verzekeringsmaatschappij kan een bank geen sterftewinst maken. De bancaire lijfrente is dus een ‘lean and mean’-inkomensspaarprodukt, met relatief lage kosten.

Arbeidsongeschiktheid
Ook voor het geval dat u arbeidsongeschikt wordt, kunt u een ‘inkomensvoorziening’ verzekeren, dit wordt in de volksmond een AOV genoemd. Dit doe u natuurlijk altijd bij een verzekeringsmaatschappij en niet bij een bank. De premie die u hiervoor betaalt is onbeperkt aftrekbaar. U kunt namelijk nooit meer verzekeren dan ongeveer 80% van uw (huidige) inkomen, dus dat wordt vanzelf gereguleerd. Dit noemen we met een mooi woord het zogenaamde indemniteitsbeginsel: de uitkering kan nooit hoger zijn dan de (inkomens)schade.

Hoeveel lijfrentepremie mag ik betalen?
De hoogte van de jaarlijks fiscaal aftrekbare lijfrentepremies bedraagt ongeveer 17% van uw inkomen. Dit noemen we de jaarruimte. Als u dat ‘ieder jaar doet’ dan levert dan ongeveer een inkomensvoorziening op van 70% van uw inkomen, vergelijkbaar met het doel bij pensioen dus. Of u dat echt haalt, hangt af van met name het rendement dat u met de inleg behaalt. Hoe u belegd, veilig in obligaties of risicovol in aandelen is uw eigen keus.
Als u de afgelopen 7 jaar ‘te weinig’ pensioen hebt opgebouwd, mag u ook over de afgelopen 7 jaar nog de genoemde 17% over het inkomen in dat jaar extra betalen. Als u dus als ondernemer geen pensioen hebt opgebouwd, kunt u nog 7 jaar inhalen. Dit noemen we de reserveringsruimte. Wel is het per jaar gemaximeerd op zo’n € 7.000 per jaar (voor 55-plussers wordt dit verdubbeld).
U kunt ook lijfrentepremie betalen over inkomensbestanddelen waarover u geen pensioen opbouwt of op mag bouwen. Hierbij kunt u denken aan bonussen, 14e maand, andere inkomsten (auteurs- of octrooirechten) maar vooral ook de auto van de zaak! Wel is het maximale inkomen dat u mee mag nemen voor de lijfrenteaftrek beperkt tot ruim € 160.000. Als uw inkomen als ondernemer hoger is, moet u zich afvragen of u niet beter vanuit een BV kunt gaan werken (en als directeur-grootaandeelhouder pensioen kunt opbouwen, ook in die eigen BV) of dat u überhaupt over zo’n inkomen wel fiscaal aftrekbare, maar later – progressief – belaste lijfrenteuitkeringen wilt betalen?!

Hoogte uitkeringen
Bij pensioen is de ‘beperking’ altijd aan de uitkeringenkant, bij lijfrente aan inlegkant. Hoeveel lijfrente u uiteindelijk kunt aankopen maakt niet uit. Omdat de inleg is beperkt, is het niet nodig de uitkeringen te reguleren (aan maxima te binden). Hoe hoger de uitkering, des te meer (progressieve) belastingheffing u immers moet betalen. Er is dus geen beperking van bijvoorbeeld 70%, niet voor uw eigen oudedagsvoorziening, maar ook niet voor uw nabestaandenvoorziening.
Dat geldt voor alle lijfrentevormen, met dien verstande dat de tijdelijke oudedagslijfrente nooit meer dan circa € 20.000 per jaar mag bedragen.
Omdat het echt een eigen inkomensvoorziening is, mogen de uitkeringen zelfs in (aandelen)units zijn. Als u op 65 jaar een aandelendepot hebt van stel 1000 units, dan mag u ieder jaar 100 units verkopen, de tegenwaarde in euro’s bepaalt dan de hoogte van uw lijfrente!

Extra mogelijkheden voor ondernemers
Naast de reguliere lijfrenteaftrek mogen ondernemers nog meer fiscaal aftrekbare lijfrentepremies betalen. Zij kunnen – op ieder gewenst moment, geheel of gedeeltelijk – hun (fiscale) oudedagsreserve omzetten in een lijfrente. Ook kunnen ze stakingswinst behaald bij de verkoop van hun bedrijf gebruiken voor extra lijfrentepremies. Dit kan oplopen tot maar liefst ruim € 440.000 voor een ondernemer die ouder is dan 60 jaar. Als het bedrijf wordt ingebracht in een (eigen) BV mag de lijfrente ook nog eens bij die (eigen) BV worden aangekocht. Dit is dan een soort ‘pensioen in eigen beheer’. Als vervolgens de onderneming uitzakt in een werk-BV houdt de ondernemer feitelijk een Holding-BV over met een zak geld en een lijfrentevoorziening, of beter gezegd een lijfrenteverplichting!

Oud regime
Sinds 1992 zijn er vele wijzigingen doorgevoerd ten aanzien van het lijfrenteregime. Ik zet de belangrijkste voor u op een rij.
-alle lijfrentes van vóór 1992 kennen geen strikte lijfrentevormen, u kunt de uitkeringen onder andere laten uitkeren aan uw (studerende) kinderen, die daarover dan vaak geen of weinig belasting betalen;
-u kunt de lijfrentes ook afkopen – al dan niet in porties – zonder boete van 20% (dus alleen progressieve heffing);
-alle lijfrentes van voor 2001 kunt u onbeperkt uitstellen, ook tot na 70 jaar. Als u dan komt te overlijden kunnen uw erfgenamen een lijfrenteuitkering aankopen, zij betalen dat ook de belasting daarover;
-alle lijfrente van voor 2006 kunt u nog gebruiken voor een overbruggingslijfrente. Deze gaat in voor dat u 65 jaar wordt (b.v. vanaf 60 jaar) en duurt dan maximaal tot 65 jaar. Een privé-vroegpensioen dus. Ook deze lijfrente is wel beperkt qua hoogte en is gemaximeerd op
€ 60.000 per jaar.

Conclusie
Lijfrentes bieden heel veel mogelijkheden. Eigenlijk veel meer dan pensioen. U bepaalt zelf hoeveel premie u betaalt en wat voor soort uitkering u krijgt. In dat kader is een lijfrente dus écht een privé-pensioen. Wel moet u de spelregels goed in acht nemen. Een lijfrente kan dan zowel dienen als volwaardige inkomensvoorziening, maar ook prima als aanvulling op het (werkgevers)pensioen. Zeker de ‘oud regime-lijfrentes’ kennen heel veel fiscale en dus financiële planningsmogelijkheden waardoor u uw belastingheffing minimaliseert. Ook bij lijfrente is het van groot belang dat u goed let op (advies)kosten, gewenste keuzes maakt voor wat betreft de beleggingen en uitkeringskeuzes maakt die u wilt. Het is tenslotte uw geld, wees er dus kritisch en zuinig op!

Theo Gommer, Akkermans & Partners, corporatepensions@akkermans.nl

Reageer