Artikel Rendement: Hoe kunnen we op de kosten van pensioen besparen?

Pensioen is een fikse kostenpost voor de werkgever. Als de werkgever een pensioenregeling heeft getroffen voor de werknemers, is hij verplicht deze regeling buiten de deur onder te brengen bij een pensioenfonds of verzekeraar. Dat deze pensioenuitvoerders niet gratis werken mag duidelijk zijn. Maar welke kosten zijn onderhandelbaar en welke niet? In dit artikel worden de aandachtspunten en valkuilen op een rijtje gezet. Met de nodige handreikingen uiteraard, zodat u straks goed beslagen ten ijs komt als er weer onderhandeld moet worden over een nieuw contract.

Verplichtstelling
Veel bedrijfstakken kennen een verplicht gesteld pensioenfonds. Denk aan de bouw, klein- en grootmetaal en de zorgsector. Bij een verplicht gesteld pensioenfonds bepaalt het bestuur van het fonds wat de kosten van de pensioenregeling zijn en heb je daar als individuele werkgever geen enkele invloed op. Wel kun je natuurlijk via de vertegenwoordigende organisaties invloed uitoefenen. Val je als werkgever buiten de verplichtstelling, dan heb je de kosten van de pensioenregeling zelf in de hand. In het vervolg van dit artikel gaan we uit van een pensioenregeling die is ondergebracht bij een pensioenverzekeringsmaatschappij.

Pensioenovereenkomst
De grondslag voor de pensioenverzekering ligt in de afspraken die gemaakt worden met de werknemers, de zogenaamde pensioenovereenkomst. Daarin is vastgelegd welke pensioensoorten er zijn, bijvoorbeeld ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen en hoe hoog die pensioenen zijn. Daarnaast is van belang welke aanvullende dekkingen verzekerd zijn. Denk daarbij aan arbeidsongeschiktheidspensioen en een ANW-hiaatverzekering. Ook moet schriftelijk worden vastgelegd wat de eigen bijdrage van de werknemer aan de pensioenregeling is zodat daarover geen misverstanden kunnen ontstaan.

Is gekozen voor een beschikbare premieregeling, dan zijn de kosten vooraf prima te budgetteren. Als gekozen is voor een regeling met een gegarandeerde pensioenuitkering (bijvoorbeeld een middelloonregeling) dan bepaalt de verzekeraar de prijs per Euro pensioenuitkering. De pensioencontracten duren meestal 5 of soms 10 jaar zodat periodiek opnieuw onderhandeld moet worden over de prijs van het pensioen. Tussentijds wijzigen van de afspraken is heel lastig, er ligt immers een contract waar beide partijen het destijds over eens waren. Maar als de verzekeraar aantoonbaar tekort schiet in dienstverlening of als de werkgever in overleg met de werknemers wil overgaan naar een andere pensioenregeling, kan een contract uiteraard wel opengebroken worden.

Als de werkgever de pensioenovereenkomst wil wijzigen, dan moet de ondernemingsraad hiermee instemmen. Is er geen ondernemingsraad, dan moet elke individuele werknemer persoonlijk instemmen, net als bij een wijziging van de arbeidsovereenkomst. Bijkomend probleem is dat de partner ook moet instemmen als de wijziging (mede) betrekking heeft op het partnerpensioen. De werkgever kan de regeling dus niet eenzijdig wijzigen.

Beschikbare premie
Bij een beschikbare premieregeling is de premie die de werkgever heeft beloofd aan de werknemers het uitgangspunt. De werkgever hoeft in beginsel niets meer te doen dan de bruto beschikbare premie betalen aan de verzekeringsmaatschappij. De kosten die de verzekeraar in rekening brengt, worden ten laste van de premie gebracht en het restant wordt belegd. Wel worden de risicopremies voor het partner- en wezenpensioen en de premie voor een arbeidsongeschiktheidspensioen meestal afzonderlijk in rekening gebracht bij de werkgever. De werkgever kan ervoor kiezen deze premies door te belasten aan de werknemers, als dat is afgesproken.

Vanaf 1 januari 2015 wordt het verplicht om netto beschikbare premies te hanteren, waar de kosten bovenop gezet worden. De werknemers weten op die manier exact welk bedrag hun ‘pensioenpot’ ingaat en de overige kosten en risicopremies worden in rekening gebracht bij de werkgever. Juist in dit nieuwe systeem is het van belang de kosten en de premies voor de aanvullende risicodekkingen zoals partner- en wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen zo laag mogelijk te houden. Alle regelingen die nu uitgaan van bruto beschikbare premies moeten uiterlijk per 1 januari 2015 worden omgezet. Het is van belang dan ook de werknemersbijdrage en de hoogte van de netto beschikbare premie goed tegen het licht te houden om verrassingen te voorkomen. In veel gevallen zal het uitgangspunt namelijk zijn dat de werknemer er qua netto inleg niet op achteruit gaat maar dat de werkgever ook niet meer gaat betalen dan nu het geval is. Ook moet de ondernemingsraad instemmen met een nieuw verzekeringscontract. Dus niet alleen de aanpassing van de inhoud van de pensioenregeling is instemmingsplichtig, ieder nieuw pensioencontract ook.

Administratiekosten
Bij beschikbare premieregelingen is een aantal aspecten van belang. Allereerst de administratiekosten. Deze kosten variëren gemiddeld tussen 2% en 8% van de netto beschikbare premie. Naarmate het premievolume hoger is, zullen de administratiekosten verhoudingsgewijs lager worden. Het maakt daarbij wel verschil of gekozen is voor beleggingsverzekeringen of een garantievariant. Garanties kosten geld en dat zal tot uitdrukking komen in de kosten. Veel verzekeraars hanteren hiervoor overigens een aparte opslag op de premie. Uiteraard is ook het serviceniveau van de verzekeraar hierbij belangrijk, lage kosten zijn alleen interessant als dit niet ten koste gaat van de snelheid en de kwaliteit van de administratieve verwerking bij de verzekeraar.

Vermogensbeheer
Vervolgens de kosten van het vermogensbeheer. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen beheerskosten die direct in rekening gebracht worden door de verzekeraar en de zogenaamde TER, de Total Expense Ratio die verwerkt wordt in de beleggingen. Hoe hoger de TER, hoe lager het eindresultaat van de beleggingen voor de werknemer. Grofweg kan 0,5% TER op jaarbasis een pensioenverschil van 9% opleveren op de pensioendatum!

Risicopremies
Dan de risicopremies. Aangezien de levensverwachting nog steeds stijgt, nemen de overlijdenskansen af. Het is dus van belang dat de verzekeraar bij het vaststellen van de risicopremies zoveel mogelijk uitgaat van de recente levensverwachting. Dit kan tientallen procenten schelen in de netto risicopremies.

Ook de premies voor arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid zijn fors gedaald sinds de invoering van de WIA. Afhankelijk van het klassensysteem dat wordt gehanteerd (3, 5 of 6 klassen) zal de opslag lager of hoger zijn. Hoe hoger het klassensysteem, des te beter de dekking en dus des te hoger de premie.

Middelloon
Bij een middelloonregeling is sprake van een gegarandeerde pensioenuitkering. De verzekeraar bepaalt de prijs voor een Euro pensioen, afhankelijk van de levensverwachting en de rentestand op het moment van afsluiten van het verzekeringscontract. Nu de levensverwachting nog steeds blijft stijgen, zal een Euro pensioen steeds duurder worden. De verzekeraar moet immers levenslang uitkeren en levenslang wordt steeds langer. Dit is op te vangen door de pensioenleeftijd te verhogen van 65 naar bijvoorbeeld 66 of 67 jaar. Op dit moment zijn sociale partners bezig met de onderhandeling over (onder andere) een aanpassing van de pensioenleeftijd. Maar werkgever en werknemers mogen ook zelf afspreken een hogere pensioenleeftijd te hanteren. De meeste verzekeraars hebben hun administratie hier echter nog niet op aangepast dus zal 65 jaar voorlopig de norm blijven.

Levensverwachting
De levensverwachting wordt uitgedrukt in de zogenaamde sterftetafels. Deze sterftetafels worden vastgesteld door het Actuarieel Genootschap maar veel verzekeraars hanteren eigen sterftetafels. Hoe ouder de sterftetafel (bijvoorbeeld Collectief 1993) hoe goedkoper een Euro ouderdomspensioen is. Het partnerpensioen is daarentegen bij een oudere sterftetafel verhoudingsgewijs duurder omdat de overlijdenskans groter is dan bij een nieuwe sterftetafel. Op dit moment komen de sterftetafels 2003, 2007 en 2009 voor bij verzekeraars. Een nieuw contract zal leiden tot het gebruik van een nieuwe sterftetafel en dus hogere premies voor ouderdomspensioen en lagere premies voor het overlijdensrisico. Heel belangrijk is dat de kosten voor aanpassing van de al opgebouwde pensioenrechten aan de gestegen levensverwachting niet voor rekening van de werkgever komen maar voor rekening van de verzekeraar. Dit punt dient dus uitdrukkelijk te worden meegenomen in de onderhandelingen.

Rentestand
Bij gegarandeerde pensioenuitkeringen speelt de rentestand ook een belangrijke rol. Doordat verzekeraars standaard rekenen met een rendement van 3% op de ingelegde premies zal bij een hoge rentestand ruimte zijn voor winstdeling. Een lage rentestand zal echter leiden tot extra opslagen voor het afgeven van de garantie van 3% rendement. Deze opslag is per verzekeraar verschillend en er worden ook verschillende namen voor gebruikt. Solvabiliteitsopslag, kosten rentegarantie, garantieopslag zijn enkele termen die men kan tegenkomen. Deze opslagen verschillen sterk per verzekeraar en zijn in de regel ook onderhandelbaar.

Winstdeling
De winstdeling bij dit soort contracten kan op twee manieren worden ingeregeld. Ten eerste bestaat de mogelijkheid een korting op de premie te krijgen als de rentestand hoger is dan de garantierente van 3%. Op die manier zullen de kosten van de pensioenregeling lager worden narmate de rentestand stijgt. Als de rentestand daalt, moet echter direct weer de gewone premie betaald worden. De pensioenkosten worden hiermee minder goed budgetteerbaar met dien verstande dat de basispremie zonder korting wel vooraf vastligt. Ook zal de verzekeraar de inschatting van de toekomstige rente voorzichtig maken, er wordt immers ieder jaar vooraf korting verleend. Dus verhoudingsgewijs zal niet de volledige extra rente ten goede komen aan de werkgever.

De tweede mogelijkheid is om winstdeling achteraf af te spreken, de zogenaamde overrente. De verzekeraar bekijkt dan hoeveel de extra rente is geweest ten opzichte van het garantierendement van 3%. Een deel van de extra rente (meestal 0,25% tot 0,5%) houdt de verzekeraar zelf. Het deel daarboven komt ten goede aan de werkgever. De werkgever kan vervolgens kiezen wat hij met dit geld doet. Ofwel in eigen zak steken ofwel ten goede laten komen aan de werknemers door de pensioenen te verhogen. Let wel, als in een jaar een lagere rente wordt gemaakt dan de gegarandeerde 3% (negatieve overrente) moet dit tekort eerst worden ingelopen voordat weer overrente beschikbaar wordt gesteld. De verzekeraar loopt dus pas een risico als het contract beëindigd wordt met een negatieve overrentestand. Dat verlies komt voor rekening van de verzekeraar. Daar staat tegenover dat in de meeste contracten dan is bepaald dat de werkgever en de deelnemers ook geen aanspraak meer kunnen maken op toekomstige positieve resultaten. Die zijn volledig voor de verzekeraar. Onderhandelen over de exacte voorwaarden van winstdeling kunnen dus lonend zijn!

Exitvoorwaarden
Tenslotte is bij verzekeringscontracten voor gegarandeerde pensioenen van belang hoeveel het kost om over te stappen naar een andere verzekeraar bij het einde van het contract. Dit wordt vastgelegd in de zogenaamde exitvoorwaarden. Veel verzekeraars passen een korting toe op basis van de actuele rentestand waardoor bij een hoge rentestand veel minder kapitaal wordt meegegeven dan nodig is om bij de nieuwe verzekeraar de opgebouwde pensioenen weer in te kopen. De nieuwe verzekeraar rekent immers ook weer met 3% garantierendement en niet met de huidige marktrentestand. Het is dus van belang om altijd te zorgen dat de liggende pensioenreserve op basis van de garantierente wordt meegegeven. De administratiekosten die hiermee gemoeid zijn moeten uiteraard ook vooraf duidelijk zijn en uitonderhandeld worden.

Conclusie
Er kan op verschillende manieren bespaard worden op pensioenkosten. Door de regeling aan te passen of te versoberen maar hiervoor is wel instemming van de ondernemingsraad en/of de individuele werknemers nodig. Door met de huidige verzekeraar te onderhandelen over kosten en technische grondslagen of door over te stappen naar een andere verzekeraar. Voor het aanpassen of wijzigen van een pensioencontract (uitvoeringsovereenkomst) is echter wel instemming van de ondernemingsraad nodig. Zorg dus voor een goede inventarisatie van de (onderhandelings)mogelijkheden in uw specifieke geval en dan is een besparing op de kosten zonder dat de werknemers dat in hun portemonnee voelen vaak heel goed haalbaar.

Drs. Roos van der Velden MPLA is partner bij Akkermans & Partners te Tilburg, corporatepensions@akkermans.nl.

Reageer